De “Tinas” and “Ladrons” of the Liebig Extract of Meat company.

Animal Rendering – Destructie Column part 26

Please scroll down for the English version

De Tina’s en Ladrons van de “Liebig Extract of Meat Company

Het voor de winning van het vet in eenvoudige autoclaven verkoken van slachtafval vond eind negentiende – begin twintigste eeuw op grote schaal toepassing in de omgeving van Fray Bentos in Uruguay. De Liebig Extract of Meat Company had daar toen de grootste slachterij en vleesverwerkende industrie ter wereld, waar men per etmaal in het slachtseizoen 1500 runderen slachtte om het vlees daarvan voornamelijk tot bouillonpoeder en –blokjes te verwerken.

Afgezien van de huiden, hoeven en bepaalde botten, die apart werden verkocht, ging alle overige slachtafval met speciale lorries op rail linea recta naar de vulopeningen van een twintigtal reusachtige autoclaven; de zogeheten “tinas”. Elke tina was ong. 10 m hoog en had een diameter van 3 m. In deze tinas werd het materiaal na toevoeging van wat water ongeveer 6 uur lang met verzadigde stoom op een druk van 4 atm. gehouden, waarna na drukaflaten van onder af met water het vet naar boven werd gestuwd. Via de overloop bij de bovenste invulopening gaat het vet naar een goot vanwaar het direct naar een groot vetreinigingsvat loopt.

Wanneer alle vet was afgetapt, werd de watertoevoer gesloten en ging het lijmwater uit de tina naar de zogeheten “ladron” om ook het laatste beetje achtergebleven vet uit het lijmwater te halen. De ladron was een ongeveer 10 m lange, 4 m brede en 3m diepe bak, met haaks op de lengteas keerwanden van steeds wisselende hoogte.  Aan de onderkant van de hoogste wanden bevonden zich doorlaatopeningen. Het lijmwater kwam rechts boven via een goot in de ladron en verliet deze uiteindelijk via de afvoergoot aan de linkerkant.  Onderweg volgde het lijmwater zijn afwisselend stijgende en  dalende weg tussen de keermuren door. De kleine vetdruppeltjes stegen alsnog naar de oppervlakte waar dan de ontstane vetlaag werd afgeschept. De resterende vaste stof in de Tina, werd via het onderste mangat hieruit gehaald waarna in centrifuges het nog aanhangende vet hieruit werd gehaald.

Nadat eerst de botten uit de vaste massa werden gehaald om tot beendermeel te worden verwerkt werd de resterende vaste stof in de  open lucht op droogrekken gedroogd en vermalen tot meststof, dat als “guano” naar Europa ging. Ook werd dit wel verbrand en ging de as als kunstmest naar Europa.

Tenslotte werd het uiteindelijke afvalwater bij Liebigs gebruikt voor de voeding van vele vissen, die uiteindelijk werden gevangen en verkookt voor de visolie.

Blog 2016 02 09 Historia y Arqueologia Marítima liebig Tinas 2

De reusachtige negentiende eeuwse staande autoclaven of “Tina’s”voor slachtafval bij Liebig in Uruguay
The huge autoclaves or “Tinas” for ofall in the 19-th century at Liebigs Uruguay
Bron: Historia y Arqueologia Marítima Liebig

 

The “Tinas” and “Ladrons” of the Liebig Extract of Meat company

The-  for the extraction of the fat – in simple autoclaves boiling of offal had in the late 19th – early 20th century a widely application near Fray Bentos in Uruguay.

In that time the Liebig Extract of Meat Company had there the largest slaughterhouse and meat processing industry in the world, where per day in the season of slaughter 1500 bovine animals were slaughtered for processing the meat mainly to beef-tea powder and beef-tee cubes

Apart from the hides and skins, hooves and certain bones, which were sold separately, all other offal went with special tip trucks on rail directly to the filling openings of twenty giant autoclaves; the so-called “tinas”. Each tina was approx. 10 m high and had a diameter of 3 m.

In this tinas the material was – after addition of some water- held for about 6 hours long with saturated steam at a pressure of 4 bar and after which the pressure was bleeded off the fat was squeezed upward with water from below . Via the overflow at the top fill opening went the fat to a gutter from where it directly flew  into  a large fat cleaner.

When all the fat was drained off, the water supply was closed and the glue water went from the tina to the so-called “ladron” for remaining also the last bit of fat from the gluewater.

The ladron was approximately a 10 m long, 4 m wide and 3 m deep reservoir with at right angles to the longitudinal axis, retaining walls of changing heights. At the bottom of the highest walls outlets were situated. The glue water came right above via a gutter into the ladron and left the ladron via the drain gutter on the left.

En route the glue water followed an alternately rising and falling path between the retaining walls. The small fat droplets still rose to the surface where the resulting fat layer was skimmed off.

The remaining solid in the Tina, was taken out via the lower manhole after which in centrifuges the still adhering fat  was extracted. After the bones were removed from the solid mass to be processed into bone meal, the remaining material was dried on drying racks in the open air and ground into fertilizer, that if “guano” went to Europe. Also it was burned and the ashes were sold to Europe as fertilizer.

Finally, the ultimate waste water at Liebigs was used for the nutrition of many fishes, which eventually were caught and boiled to extract the fish oil.

Blog 2016 02 09 Haefcke 1899 fig 4

Doorsnede van een “ladron” waarin bij Liebigs het laatste vet van het lijmwater werd afgescheiden
Cross-section of a “ladron” in which at Liebigs the last fat of the glue water was separated

Bron: Haefke “Die Technische Verwerthung von Thierischen Cadavern ” 1899 pag. 157

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s