history of Animal Rendering – Destructie part 3

 Use of animal byproducts in antiquity

Already in ancient times were created all kinds of objects of animal material, which was not eaten.  Partly this could happen for almost directly without any operation. Other materials required more processing

Bones

Roughly 9,000 years BC, the Chinese already made from bones simple flutes. The Vikings did that 6000 BC. Bones and antlers were also used to not only for making knife or dagger handles, combs, a kind of needles but man did make also jewels of out of it. The only necessary preprocessing of the bones and antlers was boning and cleaning it.

Horns and hooves

(Bovine) horns were already 2000 BC used for canisters, combs and as a nap to drink. Unlike bones, the use of horns required a necessary preprocessing.

A horn consists of two parts. The first is the horn core, which is is an outgrowth of the skull and is also of bone and has blood vessels through it. The horn core is surrounded by the keratenious horn sheath. Only this horn sheath is usable. Therefor the sheath at first should be separated from the core.  At first one left the entire horn a time soaking in water, by which the horn core releases the horn sheath and the sheath could be picked up.

To make a comb  the horn sheath should be straigtened into a flat sheet. Therefor at first the solid top of the horn was sawed off and then the remaining horn sheath be soaked in water, making him malleable. The sheath was slit lengthwise, straightened and finally pressed to a flat plate, of which for example a comb, spoons, or a cover for a box could be cut. From the solid top buttons were cut.

Horn consists of multiple layers. A thick plate horn could therefore been splitted up into thinner sheets. Similar operations were also done with the hooves.

Skins and leather.
Man did use hides and skins of animals all in the distant ancient times to protect themselves. In archaeological finds of almost all ancient civilizations are drawings or writings found, with leather objects like clothing or tents. So had the Assyrians 3000 years before Christ and the Sumeriers all leather shoes and leather cloths.

At the beginning man only dried the skins. After skinning the skin was stretched on a wooden frame and with scrapers the meat remains were removed of the skin.  Furthermore, the skin then just drying in the wind. By this the dry skins in cold weather became hard and stiff. In warm (and humid) weather they went rotten.

In order to keep the skins yet smoothly, after drying the ancient Assyrians rubbed the skin in with fat. Other peoples did this by chewing on the dried skins. Decay was in ancient times fought by smoking the skins over a fire. The skin was supple and went much slower putrefy.

Also man tanned already hides to leather. This happened with oak bark or with alum.
After removing the meat remains, the skins were put in a tub or in a pit. Multiple skins were the skins were piled up alternating with layers of oak bark. The tub or pit was further filled with an extract of oak leaf and oak bark in water called “run”. This tanning lasted several months. In this months both the bark as the run had to be regularly refreshed and the skins turned.

When one wanted to have leather witout hear, the skin became the first few days hanging in a closed space. The skin then began to rot where the hair is released. The hairs were scraped of the skin whereby it got completely smooth leather

.
To this day, is the principle of tanning stayed the same

Next time I will tell you what happened with other parts of the animal

Gebruik van dierlijk afval in de Oudheid

Reeds in de oudheid werden van het dierlijk materiaal, dat niet werd gegeten, allerlei voorwerpen gemaakt. Voor een deel kon dit nagenoeg rechtsstreeks zonder enige voorbewerking gebeuren. Andere materialen vereisten meer voorbewerking.

Beenderen

Zo’n 9000 jaar voor Christus maakten de  Chinezen uit botten al eenvoudige fluiten. De Vikingen deden dat 6000 voor Christus. Botten en geweien werden vroeg al ook gebruikt om er niet alleen mes- of dolkheften, kammen, een soort naalden van te maken maar ook sieraden. De enige  noodzakelijke voorbewerking van de botten en de geweien was het uitbenen en het schoonmaken ervan.

Horens en hoeven

(Runder)horens werden al 2000 voor Christus gebruikt voor kokertjes, als nap om uit te drinken en om er bijvoorbeeld kammen uit te maken. In tegenstelling tot botten, vereiste het gebruik van horens wel een noodzakelijke voorbewerking.

Een horen bestaat uit de “hoornpit” met daaromheen de “hoornschede” en alleen de hoornschede is bruikbaar en daarom de hoornschede eerst van de hoornpit worden afgehaald. De hoornpit is een uitgroei van de schedel en is van bot en er lopen ook bloedvaten doorheen. Men liet dan de gehele horen eerst een tijd in water weken, waarna de hoornschede van de hoornpit losliet en kon worden afgehaald. Om van een horen een kam te maken werd de hoornschede uitgebogen tot een vlakke plaat. De massieve top van de horen werd dan afgezaagd en vervolgens werd de hoornschede in water gekookt, waardoor hij vervormbaar werd. De schede werd in de lengterichting doorgesneden, uiteengebogen en tenslotte tot een vlakke plaat gedrukt, waaruit bijvoorbeeld een kam of lepeltjes, of een dekseltje voor een doosje konden worden gesneden. Uit de massieve top werden wel knopen gesneden. Hoorn bestaat uit meerdere lagen. Een dikke plaat hoorn kon daarom in dunnere platen worden. Vergelijkbare bewerkingen werden ook met de hoeven gedaan

Huiden en leer.

Huiden van dieren gebruikte de mens al in de verre oudheid om zich te beschermen. In archeologische vondsten van vrijwel alle oude beschavingen zijn wel tekeningen of geschriften gevonden, met leren voorwerpen, kleding of tenten. Zo hadden de Assyriërs 3000 jaar voor Christus al leren schoenen en de Sumeriers lederen kleding.

In het begin droogde de mens de huiden na het villen alleen maar.  De huid werd dan na het villen op een houten raam gespannen en met schrapers werden de vleesresten van de huid verwijderd. Verder liet men de huid dan gewoon in de wind drogen. Door dit drogen werden de huiden bij koud weer hard en stijf. Bij warm (en vochtig) weer gingen ze rotten. Om de huiden toch soepel te houden wreven de oude Assyriërs deze na het drogen in met vet. Andere volkeren deden dit door op de gedroogde huiden te kauwen. Bederf werd in de oudheid bestreden door de huiden te boven een vuur te “roken”. De huid werd dan èn weer soepel èn ging  veel minder snel rotten. Ook werden er toen al huiden tot leer gelooid. Dit gebeurde met eikenschors of met aluin. Na het verwijderen van de vleesresten kwamen de huiden in een kuip of een put. Meerdere huiden werden op elkaar gelegd met daar tussenin telkens een laag gemalen eikenbast. De kuip werd verder gevuld een aftrekstel van eikenblad en eikenbast in water de zogeheten “run”. Dit looien duurde dan enkele maanden. In deze maanden moesten zowel de bast als de run regelmatig worden ververst en de huiden gedraaid.

Wanneer men leer zonder haren wilde hebben, werd de huid eerst enkele dagen in een gesloten ruimte opgehangen. De huid begon dan te rotten waarbij de haren los lieten. De haren werden met een schraper en later met een haalmes van de huid afgehaald waardoor men geheel glad leer kreeg.

Tot op de dag van vandaag is het principe van het leerlooien gelijk gebleven.

De volgende keer meer over wat men met andere delen van het dier deed

Afbeelding

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s