Blog Historie dierlijk afvalverwerking gedeeld door Haarslev Blog History animal rendering shared by Haarslev

Haarslev Industries, één van de grootste leveranciers van rendering processen en installaties heeft vandaag op Linked-in de blog over de geschiedenis van de animal rendering (destructie) gekoppeld aan haar showcasepagina “Protein Recycling, Rendering and Fish”

Een grote eer!

Haarslev Industries, one of the largest suppliers of rendering processes and installations has today linked to its showcase page “Protein Recycling, Rendering and Fish” on Linked-in the blog about the history of the animal rendering

A great honour!

li-in haarslev bericht 2 16 okt 2015

Botten als meststof Bones as a fertilizer

Animal Rendering – Destructie Column part 23

Please scroll down for the English version.

Botten als meststof

Deze zomer heb ik in onze vakantie in het Duitse Sauerland kennis kunnen maken met een oude manier van het verkleinen van botten.

Pas in de tweede helft van de achttiende eeuw ontdekte men – met name in Engeland dat van gemalen botten een heel goede meststof gemaakt kon worden. Men vermaalde in  water de botten tot een vettige deegachtige massa, die men in hoopjes op de grond eerst liet rotten en ze daarna als mest uit over het land uitspreidde.  In Amerika mengde men de vermalen botten daarvoor met mest .
In Duitsland kwam het gebruik van botten als meststof pas een eeuw later, rond 1850 op gang. Men ontdekte verder dat uitgekookte en ontvette botten een betere werking als mest hebben, dan “rauwe”botten.

Voor een goed uitkoken en ontvetten moesten de botten eerst worden verkleind. Aanvankelijk deed men dat bijvoorbeeld door ze met een botte bijl op de holte van de naaf van een oud wagenwiel kapot te slaan of ze overlangs te splijten, waardoor het merg rechtstreeks bloot kwam te liggen.
Sneller en ook minder arbeidsintensief was het raspen van de (rauwe) botten met een draaiende draaiende raspcilinder. Ook dit gebeurde veelal geheel handmatig maar op een vilderij bij de Puy de Dome in Frankrijk had werd de rasp door een waterrad aangedreven.
Het fijn stampen van de uitgekookte en brosse botten gebeurde op verschillende manieren. De eenvoudigste is het handmatig fijnstampen met een zwaar voorwerp, dat een intensief en langdurig werk was.
Later kwamen hiervoor molens met in een trog een rij stampers. Elke stamper had een zwaren ijzeren voet en bij het ene type molen  aan de zijkant een in hoogte verstelbare pal. Verder had de molen een draaiende as met daarop pennen, die telkens elke stamper aan de pal omhoog tilden, waarna de stamper weer in de trog terug viel. De hoogte van de pal bepaalde de slagkracht van de stamper.
Bij een ander type molen had elke stamper een uitsparing en de molenas een serie gebogen pennen, die door de uitsparingen van de stampers draaiden en zo telkens de stampers opheften.
De as met de pennen kon door wind- of waterkracht worden aangedreven. In Duitsland waren nog tot ver na de Tweede Wereldoorlog dergelijke door waterkracht aangedreven “Knochenmühlen” werkzaam.

De Knochenmühlen van Mühlhofe-Meinerzhagen, van Finnentrop-Fretter en van Eslohe zijn als “Technischen Denkmal te bezichtigen.
Hiervan heeft de molen in Mühlhofe stampers met aan de achterkant pallen en de beide andere molens stampers met daarin een uitsparing.

Bones as a fertilizer

This summer during our holiday in the German Sauerland I was introduced to an old way of reducing the size of bones.

Only in the second half of the eighteenth century it was discovered – particular in England  – that grounded bones were a very good fertilizer. In water one milled bones to a greasy dough-like mass, which first was put in heaps on the ground to let it rot and then one spreaded this  out over the land as a fertilizer. In America the grinded bones were mixed with manure.
In Germany the use of bones as fertilizer came just a century later, around 1850. It was discovered that boiled out and so degreased bones better functioned as a fertilizer, than “raw” bones does.

For a good boiling out and degreasing of the bones, they had at first to be reduced. Initially one did that, for example, by placing them on the cavity of the hub of an old wagon wheel and beating them with a blunt axe or one splitted them lengthwise, making it marrow expose directly.
Faster and also less labor intensive was the grating of the (raw) bones using a circular rotating grate cylinder. Also this happened mostly entirely manual, on a knacker-yard near the Puy de Dome in France the grate was powered by a water wheel.

The fine poundering of the degreased and brittle bones happened in different ways. The simplest way was manually grinding with a heavy object, that an intensive and prolonged work was.
Later, in a trough for mills with a row of pounders. Each pounder had a heavy iron foot and at one type of mill on the side of the pounder there was a height-adjustable ratchet. The mill also had a rotating axle with pens, which raised each pounder with his ratched, after which the pounder fell back again into the trough. The height of the ratchet determined the strength of the “blow” of the pounder.
At another type of mill each pounder had a recess and the mill-axel had a series of bent pins, which turned around in the recesses of the pounders an so raised the pounders and let them fall down into the trough.
The axis with the pins could be powered by wind or water power. In Germany until well after the second world  such “Knochenmühlen” powered by water power were still active.

The Knochenmühlen of Mühlhofe-Meinerzhagen, nearby Eslohe and at Finnentrop-Fretter can be visited as “Technischen Denkmal. At the mill in Mühlhofe the pounders had on the back ratchets and in both other mills  the pounders containing a recess.

x 1905 Dawidowski Brannt Glue gelatine animal charcoal etc p. 34 botten stamper

Bone-mill with pounders in a trough.
Beenderenmolen met stampers in een trog
Bron: Dawidowski Brannt Glue gelatine animal charcoal etc 1905 p. 34

01 DSC_0192

In de beenderenmolens van  Fretter” en van Eslohe hebben de stampers een uitsparing voor de pennen op de molenas
At the bone-mill of Fretter the pounders have a recesse for the penns on the mill-axel
Bron: Foto A.M.T.M. Oudejans Fretter mill

02 DSC_0033

In de molen van Eslohe zijn de uitsparingen in de stampers goed te zien. In the mill of Eslohe the recesses in the pounders are good to see.
Bron: Foto A.M.T.M. Oudejans

03 DSC_0029

De gebogen pennen op de molenas bij stampers met een uitsparing. The curved pins of the mill-axel (Eslohe)
Bron: Foto A.M.T.M. Oudejans

04 DSC_0195

Stampers in de trog (Molen Fretter)  Pounders in the trough (Fretter Mill)
Bron: Foto: A.M.T.M. Oudejans

05 DSC_0144

De stampers van de molen in Mühlhofen hebben pallen  The pounders of the Mühlhofen Mill have ratchets.
Bron:  Foto A.M.T.M. Oudejans

06 DSC_0136

Molenas met pennen in de molen van Mühlhofen  Millaxel with pins in the mill of Mühlhofen
Bron: Foto A.M.T.M. Oudejans

Mooi en ontroerend! Beautiful and touching!

Edward Juarez schilderde in 1980 zijn werk van het vullen van de destructie-autoclaaf met veren.

In 2006 sierde dit schilderij als de omslag van het boek “Essential Rendering” van David L. Meeker, waarbij de schrijver de volgende toelichting gaf:

Dit schilderij hangt in het kantoor van de National Renderers Association in Alexandria, Virginia. De schilder, Edward Juarez, werkte zijn hele werkzame leven bij Omar Rendering Company in San Diego. Hij begon op 12 jarige leeftijd met het oppakken van runderhuiden. Dhr Juarez schilderde dit tafereel in 1980 en het is één van de 10 schilderijen van de fabriek, waar hij werkte.

Over dit schilderij zegt de schilder dat aan het einde van de dag de werkers de destructieautoclaaf vulde met veren. De vorige lading, die hierin werd verwerkt was bloed uit het slachthuis, dat tot bloedmeel werd verwerkt. “We werkten zo hard als we konden – we werkten ons uit de naad – maar we trots op ons werk en dat gaf ons plezier!” ……..

Mooi en ontroerend!


In 1980 painted Edward Juarez his work at the loading of therendering cooker with feathers

In 2006 decorated this painting as the cover of the book “Essential Rendering” by David L. Meeker, in which the writer gave the following explanation:

“This painting is on display in the NRA office in Alexandria, Virginia. The artist, Edward Juarez, worked at the Omar Rendering Company in San Diego, CA his entire working career. He started working at age 12, picking up cattle hides. Mr. Juarez painted this scene in 1980, one of ten paintings he did in the plant where he worked.

The renderer/artist said this scene was of workers loading the batch cooker with feathers at the end of the day. The previous batch was blood from packing houses made into blood meal. Edward Juarez said, “We worked as hard as we could—we worked our butts off—but we took pride in our work and it was fun for us”. …….. “

Beautiful and touching!

juarez

Bron: Cover book “Essential Rendering” by David L. Meeker 2006
op http://assets.nationalrenderers.org/essential_rendering_book.pdf

De eerste destructieketels in de vorm van horizontale autoclaven The first rendering cookers in the form of horizontal autoclaves

Animal Rendering – Destructie Column part 22

Please scroll down for the English version

De eerste destructieketels in de vorm van horizontale autoclaven

Naast de rechtop staande autoclaven kwamen er in de negentiende eeuw ook liggende destructie-autoclaven, waarvan het apparaat van Blackhall-Slight in Edinburgh uit 1850 één van de eerste was.

Blackhall-Slights’ autoclaaf was enkelwandig, had een ovale dwarsdoorsnede en was op de voor- en bovenkant na samen met een vuurhaard geheel ommuurd. De bovenkant had een veiligheidsklep annex drukregelaar en een afsluiter voor het ontluchten en voor het toevoeren van water. De voorkant had helemaal onderaan een aftapkraan voor vet en water en het  mangat voor het vullen en het lossen van de verkookte massa. De afdichting van het mangatdeksel gebeurde met een klem, waarbij henneptouw en havermeel als “afdichtingspakking” werd gebruikt.

Vlak boven de aftapkraan had de autoclaaf over de volle lengte een zeefbodem, waarop de te verwerken botten etc kwamen te liggen. Na toevoegen van een hoeveelheid water werd het geheel opgewarmd. Zodra er uit de ontluchtingskraan op de autoclaaf alleen nog stoom kwam werd deze afgesloten en de autoclaaf op een druk van 2 bar gebracht. Na een vol etmaal onder een druk van 2 bar stomen waren de botten, afgekeurd vlees en kleine kadavers uiteengevallen en kon de druk uit de autoclaaf worden afgelaten. Vervolgens werd onder aan de autoclaaf eerst het lijmwater afgetapt en daarna het vet.

Voor een gelijkmatiger drukbelasting waren de latere destructieautocklaven niet meer ovaal maar hadden zij een ronde dwarsdoorsnede. Bovendien kwamen er tussen de voor en achterkant over de volle lengte horizontale trekstangen of hoekijzers voor versteviging van het geheel.


The first rendering cookers in the form of horizontal autoclaves
In addition to the upright standing autoclaves, nineteenth century there came also horizontal rendering cookers, of which the device of Black hall-Slight in Edinburgh from 1850 one of the first was.

Black hall-Slights ‘ autoclave was single hulled, had an oval cross section and was except the front and top fully together with the firebox walled. On top of the autoclave there was a safety valve/pressure regulator and a valve for venting the air, for feeding water and bleeding of pressure. The front had a draining valve for fat and gluewater and a manhole for filling and discharging the boiled mass. The sealing of the manhole cover was done with a clamp, with hemp twine and oatmeal was used as “sealing stuffing”.

Right above the drain valve at its full length the autoclave had a sieve bottom, on which the raw bones etc were put. After adding a quantity of water the whole was warmed up. As soon there came only steam from the vent valve on the autoclave the valve was closed and the autoclave brought on a pressure of 2 bar.
After 24 hours steaming and boiling at a pressure of 2 bar the bones, meat and small carcasses were disintegrated and could be bleeding off the autoclave pressure. After that at the bottom of the autoclave first the glue water was drained followed by the fat.

For a more equal pressure loads the cross section of the later rendering autoclaves was no longer oval but round. In addition to that, there were between the front and back along the full length horizontal tie rods or angle irons for reinforcement of the autoclave.

hor autocl 1

Het apparaat van Blackhall-Slight met dwars- en overlangse doorsnede. Op de doorsneden is de geperforeerde boden, waar de botten op liggen aangegeven met m-m
Goed is te zien dat het wel een veiligheidsklep maar geen manometer en ook geen peilglas had. Het apparaat was 2 m lang en had 90 cm breed.

The device of Black hall-Slight with transverse and longitudinal cross-section. On the cross sections is the perforated bottom, where the bones are put on is indicated by m-m . Good to see is that the autoclave does have a safety valve but no pressure gauge and also no sight glass. The device was 2 m long and had 90 cm wide.

hor autocl 2

 Bron: Rühlmann Über Blackhall’s Apparat zum Dampfen der Knochen als Düngermittel

Boek “Categorie één; Geschiedenis van de dierlijk afvalverwerking” ter inzage in het Boerenbondmuseum Gemert Book “Category one; Geschiedenis van de dierlijk afvalverwerking” available for inspection in the Boerenbond museum Gemert

Als onderzoekster en schrijfster van het boek “Categorie één” ben ik zo trots als een pauw, dat mijn boek ter inzage ligt in het Boerenbondmuseum te Gemert. En dan niet zomaar tussen alle andere boeken, die het museum heeft maar in hun gebouw van de “Destructor NCB “

As researcher and author of the book “Category one” I am so proud as a Peacock, that my book is available for inspection in the Boerenbond museum in Gemert. And then not just among all the other books, which the museum has but in their building of the “Destructor NCB”

2015 080 28 (22) - 28 aug; Boerenbondmuseum Gemert

2015 080 28 (23) - 28 aug; Boerenbondmuseum Gemert

Het uit de destructieautoclaaf lossen van het verkookte kadavermateriaal The unloading of the rendering autoclave from the cooked animal carcasses

Animal Rendering – Destructie Column part 21

Please scroll down for the English version

Het uit de destructieautoclaaf lossen van het verkookte kadavermateriaal ron 1880

Het verkookte kadavermateriaal moest handmatig weer uit de destructieautoclaaf gespit worden, waarvoor meestal iemand de autoclaaf in moest. We kunnen ons voorstellen, dat dit een zwaar en uiterst onaangenaam werk was. Bovendien koste dit veel tijd, omdat de autoclaaf eerst moest afkoelen.

Hieronder staan een paar van de methoden, die bedacht zijn om dit werk niet alleen enigszins te verlichten maar ook om dit in een veel kortere tijd te kunnen doen.

Rond 1844 deed, Ebenezer Wilson in Cincinnatti, dit via een klep in zowel de bodem van de autoclaaf als in de zeefplaat . Beide kleppen werden gelijktijdig met een ketting of een spindel via het deksel van de autoclaaf geopend, waarbij het vaste materiaal dan in één keer vanaf de zeefplaat in een opvangbak onder de autoclaaf viel. In 1874 had Wilson vier van deze autoclaven in werking, elk met een inhoud van 5,5-7 m3.

De New Yorker Husband deed dit rond 1879 door de zeefplaat voor het kadavermateriaal in de autoclaaf schuin naar het mangat toe te leggen.

De autoclaaf uit 1867 van William Perry uit Massachusetts kon in het midden met een ketting om zijn dwars as gedraaid worden. Aan het ene uiteinde van de autoclaaf was de opening voor het vullen en het ledigen. De andere kant had een zeef met daaronder een aftapkraan.

De stoom werd via een leiding door het lager van de dwarsas in de autoclaaf geleid. De autoclaaf werd rechtop gezet en via de aftapkraan aan de onderkant werd continu het ontstane vet en lijmwater naar een ander vat afgetapt. De vaste materiaal op de zeef bleef zo “droog” en constant volledig aan de werking van de stoom blootgesteld.  Na afloop van het proces werd de druk afgelaten, de aftapkraan losgekoppeld en de vulopening geopend. Het geheel werd met de ketting een halve slag gedraaid waarna de vaste resten uit de autoclaaf uit vielen om elders tot meststof te worden vermalen.

The unloading of the rendering autoclave from the cooked animal carcasses aroud 1880

The cooked material had to removed from the rendering autoclave or “digester” by carving out manually, for which usually someone had to go into the digester. We can imagine, that this is a heavy and extremely unpleasant work. In addition to that, this costs much time because of the fact that the autoclave first had to cool down.

Below a few of the methods are descripted, not only designed to relieve this work a little bit  but also to be able to do this in a much shorter time.

Around 1844, Ebenezer Wilson in Cincinnatti, did this by means of a valve in both the bottom of the digester as in the false seave bottom. Both valves were simultaneously opened with a chain or a spindle through the lid of the digester, after which at one time the solid material fell directly from the sieve plate into a container under the digester. In 1874 Wilson had four of these autoclaves working, each with a capacity of 5.5-7 m3.

The New Yorker Husband did this around 1879 by putting in the digester the sieve plate for the cadaver material diagonally towards the manhole.

In 1867 William Perry’s digester from Massachusetts could be rotated with the aid of a chain around its cross axis in the middle. At one end of the digester was the opening for filling and emptying. The other side had a screen with a drain valve.

The steam was led into the digester through a conduct-pipe through the bearing of  the transverse axis. The digester was put upright and via the drain valve at the bottom the resulting grease and glue water were continuously drained to another barrel. In that way the solid material on the screen remained “dry” and also constantly exposed to the full influence  of the steam.  At the end of the process, the pressure was released, the drain valve disconnected and the filling opening opened. With the chain the whole thing was turned a half turn after which the remains fell from the autoclave for being ground elsewhere to fertilizer.

blog 2015 08 11  Het uit de destructieautoclaaf lossen van het verkookte kadavermateriaal 1898 Andes Animal Fats and Oils 1898  p. 33 Wilson's autoclaaf

De van buiten af bedienbare opening aan de onderkant van de autoclaaf van Wilson

From the outside controlled unloading valves in the seave and at the bottom of the autoclave from 1844 by Wilson.

Bron: L.A. Andès: “Animal Fats and Oils” 1898  p. 33

De eerste eenvoudige autoclaven voor de kadaververwerking nog bijna zonder hulpmiddelen. The first simple autoclaves for processing offal or fallen livestock almost without tools.

Animal Rendering – Destructie Column part 18
Please scroll down for the English version

De eerste eenvoudige autoclaven voor de kadaververwerking nog bijna zonder hulpmiddelen.

Deel I:  In Europa

Anderhalve eeuw na de uitvinding van de Papiniaanse Pot verkreeg de Fransman Appert in april 1823 in Frankrijk voor vijf jaar het patent op het smelten van vet in een autoclaaf. Zijn autoclaaf had maar één opening bovenop met deksel voor zowel het vullen als het ledigen en werd als een zakketel met een ring in een ommuurd vuur gehangen.

Hij hield drie delen “vlees” en/of botten op één deel water gedurende ongeveer een uur op een temperatuur van 115-130 °C .  Na afkoelen en druk aflaten werd (handmatig!) eerst het vet uit de autoclaaf geschept en daarna met een soort zeefschep de natte en nog vette vaste stof. De vaste stof werd op rekken gedroogd en, al dan niet met andere stoffen zoals gips en klei, tot meststof verwerkt.

Tenslotte werd het lijmwater er uit gelepeld. Vanwege het snelle bederf was lijmwater alleen maar bruikbaar als het snel verder kon worden verwerkt, bijvoorbeeld wanneer het in de onmiddellijke nabijheid als meststof over de landerijen kon worden uitgesproeid. Als er een lijmfabriek in de buurt was, kon het in vaten daarheen worden gebracht. Meestal echter werd het lijmwater geloosd. Afgezien van het feit dat dit erg ging stinken gingen hiermee veel waardevol gelatine, stikstof en kalium, verloren.

Naast een snellere verwerking claimde Appert in zijn patent verder, dat zijn proces niet stonk. Echter met name het weer leeghalen van de autoclaaf stonk weldegelijk en bleef bovendien nog steeds een vies en zwaar karwei.

Later kwamen er autoclaven, waarin men in plaats van water, direct extra stoom kon invoeren. Ook kwamen er onder aan de autoclaaf een aftapkraan voor vet en water en een extra mangat voor het weer lossen van de uitgekookte vaste stof.

De autoclaaf werd dan zo’n 2-4 uur op een druk van 2 ½ – 3 bar gehouden, waarna via de aftap onder aan de autoclaaf eerst het lijmwater en daarna het vet werd afgetapt.

Het zo verkregen vet was echter verontreinigd met voornamelijk eiwitmateriaal uit het vlees, waardoor het snel bedierf. Om deze reden werd het vet met water goed uitgekookt om zo te worden gezuiverd. Pas daarna kwam het in vaten om aan bijvoorbeeld zeepfabrikanten te worden verkocht.

In 1846 kookte men op een grote Franse vilderij in Aubervilliers bij Parijs in autoclaven botten, ingewanden, vleesdelen en allerlei ander kadavermateriaal 12-24 uur onder een druk van 1 ½ atm en een temperatuur van ong. 110 °C . Het verkregen vet werd als machinesmeer verkocht. De hoeveelheden waren op deze vilderij zo groot, dat men de overgebleven vaste stof niet meer op rekken maar in een aparte ketel uitgedroogde. Daarna werd het tot mestpoeder vermalen. Ook hier werd het geleiachtige lijmwater eerst nog geloosd en ging dat pas later naar een lijmfabriek

The first simple autoclaves for processing offal or fallen livestock almost without tools.
Part I: Situation in Europe

A century and a half after the invention of the digester by Papin the Frenchman Appert obtained in april 1823 in France for five years the patent on the melting of fat in an autoclave.

His autoclave only had one opening on top of it with a lid for both filling and emptying and was hanging with a ring halfway around the autoclave over a ridge in walled fire.

He kept three parts “meat” and/or bones on one part water for about one hour at a temperature of 115-130 ° C.  After cooling and bleeding off first the fat was (manual!) used one’s spoon out of the autoclave and after that with a kind of skimmer the fatty wet solids were shoveled out. The solids were dried on racks and, with or without other substances such as plaster and clay, processed to fertilizer.

Finally, the glue water there from used one’s spoon. Because of the quick decay the glue water was only useful when it could be processed rapidly, e.g. when it could be sprayed out as a fertilizer over the country in the immediate vicinity. If there was a glue factory nearby, it could be put in barrels and brougt to the glu factory. Usually, though, the glue water was discharged. Apart from the fact that with this very much valuable gelatin, nitrogen and potassium was lost went it stinking.

In addition to a faster processing, in his patent claimed Appert that his process was odorless…… In particular, however, emptying of the autoclave is stinking certainly and also it was still a dirty and a heavy job.

Later – instead of water – live steam could be entered directly into the autoclaves. There came also at the bottom of the autoclave a drain valve for fat and water and an extra manhole for unloading the boiled out solids.

After holding the digester about 2-4 hours at a pressure of 2 ½-3 bar, at first the glue water was drained of via the drain valve and after that the fat was drained.

The resulting fat, however, was contaminated with proteinaceous material mainly from the flesh, making the fat fast spoiled . For this reason the fat was well boiled out with water to be purified. Only than it came in barrels, for being sold to – for example, soap manufacturers.

In 1846 on a large French knackery in Aubervilliers near Paris they cooked in autoclaves bones, intestines, meat parts and all kinds of other cadaver material 12-24 hours under a pressure of 1 ½ atm and a temperature of approx. 110 ° C.  The obtained fat was sold as a machine lubricant.  At this knackery the quantities became so big, that one the remaining solids matter no longer dehydrated on shelves but in a separate dryer. Afterwards it became grinded to manure powder. Also here the gelatinous glue water went first discharged and only later sold to a glue factory

1896 Dammer Handbuch der Chem. Tech. 1896 p.7 smeltketel van Rost

Twee van de eerste eenvoudige autoclaven
Two of the first simple autoclaves
Bron: Dammer: Handbuch de chemischen Techniek 1896