Kadavervet: Goed tegen tbc,en goed voor soepele voetbalschoenen Carcass-fat Good against tuberculosis and goed for smooth footballshoes….

 Animal rendering – Destructie Column part 31
Please scroll down for the English version

Kadavervet: Goed voor smeerseltjes tegen tuberculose en jicht, soepele voetbalschoenen en het onderhoud van cricket-bats.
Zo was hondenvet een zeer gevraagd “vilderij-product” en werd dit tot in de achttiende eeuw namelijk in vele streken gezien als een goed geneesmiddel tegen “longtering”of tuberculose. In Duitsland was in iedere streek een eigen “Schindersalbe” of Scharfrichtereipflaster”verkrijgbaar en dat gemaakt was op basis van hondenvet.. Het was alleen bij de vilderijen verkrijgbaar en elke vilder had hiervoor zo zijn eigen geheime recept, dat hij van zijn ouders erfde. De smeersels werden ook op de vilderijen gemaakt. Dat er op de meeste vildereijen het met de hygiene erbarmelijk was gesteld, deed er in die tijd niet toe. Men geloofde gewoon in de werking van het smeersel….Soms ging het zo ver dat mensen zelfs hun eigen hond naar de vilder brachten voor het vet van het dier. De vilder maakte dan de hond af , onthuidde het kadaver, won het vet daaruit en leverde dit tegen bepaalde kosten – weer terug aan de eigenaar van de hond.
De verkoop van hondenvet was tot in de achttiende eeuw volledig legaal.. .Niet alleen hondenvet werd in “medicijnen” verwerkt. In Engeland verwerkte een vilder nertsenolie in een smeerseltje, dat door de plaatselijke huisarts werd afgenomen. Hij gebruikte dat als middel tegen jicht en smeerde daarmee de gewrichten van zijn patienten in.

Ook sportverenigingen waren “klant” bij de vilder. Voetballers poetsten hun voetbalschoenen wel in met paardenolie om ze mooi soepel te krijgen en cricketers wreven hun bats in met paardenolie om zo het hout te “voeden” en te voorkomen dat de bats barsten of scheuren gingen vertonen.

Carcass-fat: good for ointments against tuberculosis and gout, smooth soccer shoes and maintenance of cricket-bats.

So dog-fat was a highly demanded “knackery product” and in fact this was until the 18th century in many areas seen as a good medicine against lung tuberculosis. In every region in Germany there was a private “Schindersalbe” or „Scharfrichtereipflaster ” based on dog-fat. It was only available at the knackeries and each knackerman had its own secret recipe that he inherited from his parents.

The ointments were also made on the knackeries. The fact, that at most oft he knackeries the hygiene was lamentable, did not matter at that time did not matter. It was believed just in the working of the ointment ….
Sometimes it went so far that people even brought their own dog to the knacker for the fat of the animal. The knacker then killed the dog , flayed the body, rendered the fat therefrom and delivered this against certain cost-back to the owner of the dog.
Until the 18th century the sale of dog-fat was completely legal..

Not only dog-fat was processed in “medications”. In England a knackerman processed mink oil in a ointment, that was taken by the local family doctor. He used that as a remedy against gout and rubbed this on the joints of his patients.

Also several sports clubs were “customer” at the knackery. Footballers polished their soccer shoes with horse-oil to make them smooth and cricketers rubbed their bats in with horse- oil avoid the bats burst or cracked.

wasenm_1
Zowel voor middeltjes tegen tbc als voor schoenpoets voor de voetbalschoenen wist men de  vilderij te vinden
Both for remedies against  tuberculisis  as for shoepolish for football shoes people knew to find the knackery

Advertenties

Van de oude beenderenmolens naar de huidige “crushers” From the old bonemills to todays crushers

Animal Rendering – Destructie Column part 24

Please scroll down for the English version

Van de oude beenderenmolens naar de huidige  “crushers” 

Rond 1850 werden in Amerika en in Engeland zowel rauwe als uitgekookte botten net als steenkool met twee tegen elkaar indraaiende walsen vermalen. Dergelijke tandwalsmolens of Yorkshire Bonemills waren wellicht de voorlopers van de hedendaagse in de destructie gebruikte “crushers”.

De walsen van deze beenderenmolens waren gelagerd in een stevige behuizing, waarin van boven af de botten werden toegevoerd nadat eerst alle ongerechtigheden zoals stukken ijzer waren verwijderd,. De walsen hadden om hun omtrek allemaal kransen van tanden, waarbij die van de ene wals precies tussen de kransen van de andere wals paste.  Door het tegen elkaar indraaien van de walsen werden de botten hiertussen gebroken, waarbij de grootte van de verkregen brokken bepaald wordt door de afmetingen van de tanden .
Om de botten heel fijn of zelfs geheel tot poeder te vermalen werd onder het eerste paar walsen een tweede en soms zelfs een derde stel walsen opgesteld. De lengteassen stonden hierbij dan haaks op de lengteassen van de walsen daarboven, waarbij de tanden van het onderste paar het fijnst waren. Aan de onderzijde wordt het vermalen materiaal afgevoerd.

Gebeurde de aandrijving van deze molen op kleine vilderijen vaak nog handmatig, grotere bedrijven hadden hiervoor een mechanische aandrijving.

Tegenwoordig moeten – voor de vereiste hittebehandeling niet alleen botten maar ook grote hompen en hele kadavers verkleind worden tot een brij-achtig mengsel van vloeistof en vaste delen, waarbij sinds begin jaren negentig volgens de wet de vaste stukjes in deze brij uiteindelijk niet groter mogen zijn dan 5 cm. Het verkleinen gebeurt in een breker of “crusher”, die enigszins is te vergelijken met de bovenstaande beenderenmolens. in een trechtervormige bunker liggen onderin evenwijdig naast elkaar twee assen, met daarop over hun gehele lengten haaks hierop (snij)nokken. Hierbij passen de nokken van de ene as steeds tussen die van de andere in. De assen draaien langzaam tegen elkaar in, waarbij de nokken dan telkens in het materiaal haken en – tegen elkaar in draaiend – niet alleen beenderen breken maar ook steeds stukken uit het materiaal snijden. De stukken en ook de vloeistoffen komen op de onderliggende transportband naar de verdere verwerking terecht. Om er voor te zorgen dat de vaste stukjes klein genoeg zijn, wordt de verkleining vaak in twee stappen gedaan. De tweede stap is hierbij dan vergelijkbaar met de eerste.
Tussen deze twee stappen in worden met magneten de ongewenste metalen voorwerpen eruit gehaald.

From the old bonemills to todays crushers

Around 1850  in America and in the UK both raw as boiled-out  bones were – just like coal  – grinded in between two against each other turning rollers.. Such Bonemills or Yorkshire mills were the forerunners of the contemporary in the rendering industry used “crushers”.The rollers are beared in a strong casing, in which from above the bones are loaded after first removing all iniquities as iron pieces. On their surroundings the rollers have whorls of teeth, of which the teeth of one roller goes right in between the teeths of the whorls of the other roller.By the turn of the rollers against each other the bones are between the rollers broken, where the size of the obtained pieces is determined by the size of the teeth.
To grind the bones to a very fine  powder there became among the first pair of rolls a second and sometimes even third set rollers. The length axles were then at right angles to the length of the rollers up there, of which the teeth of the lower rollers were the finest. At the bottom is the shredded material discharged

On the small knacker-yards the mill drive happened manually, still larger “companies” often  already had a mechanical drive.

Nowadays – for the required heat treatment not only bones but also large hunks and entire carcasses have to be reduced to a slurry of liquid and solids, in which – since the early 1990s – according to the law the solid pieces have to be smaller than 5 cm. The reduction occurs in a crusher, which is somewhat similar to the  above described bones mills.

On the bottom of a funnel-shaped bunker are – parallel next to each other – two axles, with over their entire lengths in a right angle  (cutting) cams. It always fit the cams of the one between those of the other. The axes turning slowly against each other, where each time the cam in the equipment hooks and-against each other in turning – not only break bones but also cutting pieces from the material to be crushed. The pieces and also the fluids come on the underlying conveyor to the further processing. To ensure that the solid pieces s became mall enough, the reduction is often done in two steps. The second step is then similar to the first.
Between these two steps in with magnets the unwanted metal objects taken out.

Blog 2015 11 11primitieve crushers

Boven- en zij aanzicht breker met de twee tegen elkaar indraaiende getande rollen, zoals in Amerika werd gebruikt. Op de afbeelding helemaal rechts zien we het wiel voor de handmatige! aandrijving 
Top and side view with the two against each other turning toothed roles, such as in America was used. On the image at the far right, we see the wheel for the manual! drive …
 (Bron: Dawidowski and Brannt “Glue gelatine animal charcoal,phosphoros, cements pastes and mucilages ” 1905 p. 35)
Blog 2015 11 11 Moderne crusher1

hedendaagse crusher
Bron: Eigen foto

Het uit de destructieautoclaaf lossen van het verkookte kadavermateriaal The unloading of the rendering autoclave from the cooked animal carcasses

Animal Rendering – Destructie Column part 21

Please scroll down for the English version

Het uit de destructieautoclaaf lossen van het verkookte kadavermateriaal ron 1880

Het verkookte kadavermateriaal moest handmatig weer uit de destructieautoclaaf gespit worden, waarvoor meestal iemand de autoclaaf in moest. We kunnen ons voorstellen, dat dit een zwaar en uiterst onaangenaam werk was. Bovendien koste dit veel tijd, omdat de autoclaaf eerst moest afkoelen.

Hieronder staan een paar van de methoden, die bedacht zijn om dit werk niet alleen enigszins te verlichten maar ook om dit in een veel kortere tijd te kunnen doen.

Rond 1844 deed, Ebenezer Wilson in Cincinnatti, dit via een klep in zowel de bodem van de autoclaaf als in de zeefplaat . Beide kleppen werden gelijktijdig met een ketting of een spindel via het deksel van de autoclaaf geopend, waarbij het vaste materiaal dan in één keer vanaf de zeefplaat in een opvangbak onder de autoclaaf viel. In 1874 had Wilson vier van deze autoclaven in werking, elk met een inhoud van 5,5-7 m3.

De New Yorker Husband deed dit rond 1879 door de zeefplaat voor het kadavermateriaal in de autoclaaf schuin naar het mangat toe te leggen.

De autoclaaf uit 1867 van William Perry uit Massachusetts kon in het midden met een ketting om zijn dwars as gedraaid worden. Aan het ene uiteinde van de autoclaaf was de opening voor het vullen en het ledigen. De andere kant had een zeef met daaronder een aftapkraan.

De stoom werd via een leiding door het lager van de dwarsas in de autoclaaf geleid. De autoclaaf werd rechtop gezet en via de aftapkraan aan de onderkant werd continu het ontstane vet en lijmwater naar een ander vat afgetapt. De vaste materiaal op de zeef bleef zo “droog” en constant volledig aan de werking van de stoom blootgesteld.  Na afloop van het proces werd de druk afgelaten, de aftapkraan losgekoppeld en de vulopening geopend. Het geheel werd met de ketting een halve slag gedraaid waarna de vaste resten uit de autoclaaf uit vielen om elders tot meststof te worden vermalen.

The unloading of the rendering autoclave from the cooked animal carcasses aroud 1880

The cooked material had to removed from the rendering autoclave or “digester” by carving out manually, for which usually someone had to go into the digester. We can imagine, that this is a heavy and extremely unpleasant work. In addition to that, this costs much time because of the fact that the autoclave first had to cool down.

Below a few of the methods are descripted, not only designed to relieve this work a little bit  but also to be able to do this in a much shorter time.

Around 1844, Ebenezer Wilson in Cincinnatti, did this by means of a valve in both the bottom of the digester as in the false seave bottom. Both valves were simultaneously opened with a chain or a spindle through the lid of the digester, after which at one time the solid material fell directly from the sieve plate into a container under the digester. In 1874 Wilson had four of these autoclaves working, each with a capacity of 5.5-7 m3.

The New Yorker Husband did this around 1879 by putting in the digester the sieve plate for the cadaver material diagonally towards the manhole.

In 1867 William Perry’s digester from Massachusetts could be rotated with the aid of a chain around its cross axis in the middle. At one end of the digester was the opening for filling and emptying. The other side had a screen with a drain valve.

The steam was led into the digester through a conduct-pipe through the bearing of  the transverse axis. The digester was put upright and via the drain valve at the bottom the resulting grease and glue water were continuously drained to another barrel. In that way the solid material on the screen remained “dry” and also constantly exposed to the full influence  of the steam.  At the end of the process, the pressure was released, the drain valve disconnected and the filling opening opened. With the chain the whole thing was turned a half turn after which the remains fell from the autoclave for being ground elsewhere to fertilizer.

blog 2015 08 11  Het uit de destructieautoclaaf lossen van het verkookte kadavermateriaal 1898 Andes Animal Fats and Oils 1898  p. 33 Wilson's autoclaaf

De van buiten af bedienbare opening aan de onderkant van de autoclaaf van Wilson

From the outside controlled unloading valves in the seave and at the bottom of the autoclave from 1844 by Wilson.

Bron: L.A. Andès: “Animal Fats and Oils” 1898  p. 33

Staande destructieautoclaven met uitneembare zeefkorf. Vertical rendering autoclaves with removable strainerbasket

Animal rendering – Destructie Column part 20

Please scroll down for the English version


Destructieautoclaven met een uitneembare zeefkorf voor het te verwerken materiaal

Bij de eerder beschreven eenvoudige autoclaven moesten na het aftappen van het vet en het lijmwater – de verkookte vaste resten nog helemaal handmatig hieruit worden verwijderd. Dit zware en onaangenaam stinkende karwei werd in het begin van de twintigste eeuw enigszins verlicht door het gebruiken van een zeefkorf voor de kadaverdelen en het afgekeurde vlees.
Bovendien had het zo vullen van een autoclaaf het nadeel, dat de massa hierin nog al eens de neiging had om tot één dikke ondoordringbare massa samen te ballen; het zogeheten “verlijmen”. Dit gebeurde vooral wanneer er veel gelatinerijk materiaal, zoals bepaalde ingewanden, bij elkaar werd verwerkt. Zo’n “verlijmde autoclaaf” was  niet alleen moeilijk weer leeg te halen ook werd dan lang niet alle vet uitgesmolten en was de samengebalde massa nergens meer goed voor.

Om deze reden gebruikten de slachthuizen hiervoor nog al eens een oude vleessterilisator  (zie de column van 8 mrt 2015)  Echter, omdat zo’n vleessterilisator hiervoor eigenlijk niet geschikt was, kwamen er langzamerhand autoclaven op de markt, speciaal voor het verwerken van afgekeurd vlees, kadavers, en delen daarvan.

In de autoclaaf van de Engelsman Draycott uit 1915 stond de zeefkorf op pootjes en daaronder kwam een flinke bodem water. De autoclaaf zelf stond op een driepoot boven open vuur. Met een regelbare veiligheidsklep op het deksel werd de vereiste druk en daarmee ook de temperatuur ingesteld. Wanneer het materiaal volledig uiteen was gevallen werd de zeefkorf met het overgebleven vaste materiaal uit de autoclaaf gehaald, het vet afgeschept en het water weggegooid. Deze werkwijze met zo’n inzetkorf bleek echter handzaam te zijn bij slechts  kleine hoeveelheden.

De Rus Ohlert hing een zeefmand aan twee hengsels in zijn (dubbelwandige) autoclaaf. Na de beeindiging van het proces werd de zeefmand met het de verkookte vaste resten getrokken en op twee balken boven op de rand van de autoclaaf gezet, om het nog aanhangende water en vet alsnog uit te laten druipen.

Later bij de grotere autoclaven hanteerde men de zeefkorf met een verdraaibare takel of met een loopkat. Het openen en sluiten van het grote en zware deksel van zo’n autoclaaf ging veel  minder zwaar door het hierbij gebruiken van een met een ketting aan het deksel bevestigd contragewicht.

Door in zo’n grote zeefkorf ingewanden, hompen vlees, kleine kadavers en kadaverdelen afwisselend in lagen op te stapelen kon men dit verlijmen sterk verhinderen. Wanneer er bijvoorbeeld voornamelijk alleen ingewanden moesten worden verwerkt, deed men dit ook wel door de ingewanden af te wisselen met één of meer lagen met blokken hout. Wat later werd hiervoor niet één grote korf gebruikt maar meerdere smallere korven, die met enige ruimte daartussen naast elkaar in de autoclaaf werden gezet.

Autoclaves with a removable strainerbasket for processing carcasses and condemned meat

At the previously described simple autoclaves  – besides the fat and the glue water – the cooked solids had to be removed out of the autoclave yet at all manually. At the beginning of the 20th century this heavy and unpleasant smelly job was somewhat relieved by the use of a strainer basket for the carcasses, parts of that and the rejected meat.
Moreover, had it so filling an autoclave the disadvantage, that the mass had a tendency to clog to one thick impenetrable mass it so-called “gumming” (or clogging). This happened especially when processing in one time a lot of gelatinous material, such as certain viscera.
Cleaning out such a “gummed or clogged” autoclave” was not only difficult but also not all the fat was been rendered and the clogged mass  furthermore was more or less useless.

Because of this reason slaughterhouses regulary used an old meat sterilizer for this job (see the column by 8 March 2015) . However, because such a meat sterilizer for this is actually unsuitable, there appeared gradually autoclaves on the market, especially for the processing of rejected meat, carcasses and parts thereof.

In the autoclave of the Englishman Draycott from 1915 a strainer basket on feet was in the autoclave and below the basket came a layer of water. The autoclave itself stood on a tripod over open fire. With an adjustable safety valve on the lid the required pressure was set and with the pressure  the temperature. When the material had decomposed completely, the strainerbasket with the remaining solids will be removed from the autoclave, the fat skimmed off and the glue-water drained off. This approach, however, turned out to be handy only in case of processing small amounts of material.

The Russian Ohlert hung a strainer basket to two handles in his (double-walled) autoclave. After termination of the process the strainer basket with the cooked solid remains was pulled out of the autoclave and put on  two bars on the brim of the autoclave, for dripping out the still adhering fat and water.
Later at the larger autoclaves the strainer basket was handled with a revolving pulley or with a travelling crab. Opening and closing the autoclave with  such a large and heavy lid  went much less heavily by the use of a counterweight, attached to the lid with a chain.

By use of such a big sieve basket gumming could be prevented bij loading viscera, hunks of meat, small animal carcasses and parts in alternating layers. By processing only intestines  one did also loading by the intestines in turn with one or more layers of blocks of wood. Later on not one large basket was used but several narrower baskets were put – which with some space in between – next to each other in the autoclave.

x 1929 02 01 Advertentie Heike  Ztschr. Abdeckereiwesen 1

Advertentie uit 1929
Advertisement from 1929