Animal Rendering – Destructie Column part 7

Begraven
Burying

Please scroll down for the English version

De oudste en eenvoudigste manieren om van een kadaver af te komen, hadden niets met destructie te maken.  Als deel van de geschiedenis laat ik het deze methoden toch de revu passeren.

Ten opzichte van het achter laten in het open veld, was begraven al een hele stap voorwaarts. Er was geen stank meer en er werden geen ziekten meer verspreid door de vliegen of door het verslepen van brokken vlees door bijvoorbeeld wilde honden.

In heel dun bevolkte gebieden werd dit begraven her en der gedaan, ergens achter in het weiland of “gewoon achter de boerderij”. Bij de wat grotere steden en dorpen moest dit op speciale plaatsen gebeuren. Het waren meest afgelegen onbewoonde dorre stukken grond, waar geen vee mocht komen. Soms was dat een grote diepe kuil, waarin gedurende een langere of kortere tijd, de kadavers in gegooid werden. Wanneer de kuil bijna vol was, werd hij verder met aarde dicht gegooid en werd de volgende kuil “in gebruik genomen”.  De laag aarde moest dik genoeg zijn om te voorkomen dat wilde dieren niet bij de “inhoud” konden komen en dit weer konden opgraven. Wanneer er sprake van besmettelijke ziektes was geweest, zoals bijvoorbeeld miltvuur, dan moest – in vele delen van Europa – deze plek beplant en omzoomd worden met snel groeiende en diep wortelende bomen en planten, die ongeschikt zijn voor veevoer.

Op verschillende plaatsen zijn dergelijke (oude)  begraafplekken nog duidelijk zichtbaar als eenzame bosjes in het open veld. Deze zogeheten miltvuurbosjes, pestbosjes, krengenbosjes waren zo een blijvende herkenning en waarschuwing.

Het  begraven van kadavers en slachtafvallen werd in Europa lange tijd zo gedaan en op veel plaatsen in de wereld gebeurt dat nog steeds zo.

Toch is voor het afweren van het besmettingsgevaar begraven niet altijd even afdoende. Sommige bacteriën, zoals miltvuur kunnen in de bodem als “spore” enkele tientallen tot honderden jaren als het ware slapend  “overleven”.  Wanneer de omstandigheden voor de sporen weer gunstig zijn worden het weer ziekmakende bacteriën. Niet alleen de begroeiing maar ook het er langs stromende (grond)water kan zo nieuwe bron van infectie zijn.

In (veel) latere tijden kwamen er aanvullend veel strikte regels voor het begraven. In Nederland en Duitsland bijvoorbeeld moest het hoogste gedeelte van de kadavers tenminste één en bij besmettelijke veeziekten twee meter onder de oppervlakte liggen. De bodem van de kuil moest ruim boven de grondwaterspiegel liggen. Een kadaver moest volledig kruislings diep zijn ingekerfd en daarna overgoten worden met teer, petroleum of een ander middel om met name het vlees onbruikbaar te maken.  Onder, rondom en over het kadaver moest een 10 cm dikke laag kalk worden gestrooid. Tenslotte moest ook met bloed besmeurde grond in de kuil worden gedaan. Het gevaar van besmetting van de bodem en van het grondwater bleef echter wel bestaan.

Deze bewerkingen bleken in het verleden de mens toch niet ervan te hebben weerhouden om toch van dit vlees te eten. Het kadaver werd hiervoor gewoon weer opgegraven…….. Voor vele miltvuuruitbraken in de geschiedenis is bewezen, dat deze veroorzaakt werden door eerder in het verleden begraven miltvuurkadavers.

 

Burying

The oldest and most simple ways of getting rid of an animal carcasse, had nothing to do with animal rendering.  As a part of history I will pay attention to these methods.

Compared to leaving it behind in the open field, buriing was quite a step forward. There was no stink anymore and no more spreading diseases by the flies or by dragging chunks of meat, for example, by wild dogs.

In very sparsely populated areas it was done here and there, somewhere behind in the pasture or “just behind the farm”. In the larger towns and villages it had to happen on special places. It were mostly  remote uninhabited arid pieces of land, where no cattle was allowed to come.  Sometimes it was that a large deep pit, in which during a longer or shorter time, the bodies were thrown in. When the pit is almost full, he was further slammed with earth and the next pit became  “in use”.  The layer of earth had to be thick enough to prevent wild animals could come at the “content” and could not dig up this again.

When there had been of contagious diseases, such as anthrax, – in many parts of Europe – this places had to be planted and lined with fast-growing and deep rooting trees and plants, which are unsuitable for cattle feed. In various places such this old burial places  are still clearly visible as lonely bunches in the open field. These so-called anthrax-bunches, plague bunches or aas bunches were thus a lasting recognition and warning.

Burying animal carcasses and offal was done so for a long time in Europe and in many places in the world it happens still that way.

Still, for fighting off the infection danger buriing not always sufficient. Some bacteria, such as Anthrax can as a spore “survive”in the soil  a few tens to hundreds of years.  When  the conditions are again favorable for the spores, they become again pathogenic bacteria. Not only the vegetation but also the along flowing (ground) water can be a source of infection.

In addition, in much – much later times there came more strict rules for burying animal carcasses. For example, in the Netherlands and Germany the highest part of the buryed carcasses had to be at least – and in case of animal contagious diseases – two meters below the surface. The bottom of the pit had to be far enough above the water table. A carcass had to be completely cross-deep carved and then doused with tar, petroleum or other means to disable the meat in particular for consumption.

Under, around and over the carcass had to be interspersed a 10 cm thick layer of lime.  Finally, also the with blood-stained ground had to be thrown into the pit. The risk of contamination of soil and groundwater, however, continued to exist.

These operations proved in the past no to be able to prevent people consuming parts of this “meat”. The body was simply exhumed again …….. For many anthrax outbreaks in history is proven, that these were caused by earlier in the past buried anthrax carcasses.

Blog 2014 05 10 plaatje

Miltvuurbosje – anthrax bunche
Bron:  http://commons.wikimedia.org/wiki/File:Pestbosje.jpg?uselang=nl

 

Advertenties

Animal Rendering – Destructie Column part 6

Kadavers in Europa tijdens de Vroege Middeleeuwen.

Animal carcasses in Europe during the Early Middle Ages

Please scroll down for the English version

Deze aflevering gaat alleen over de situatie in het westen van Europa. Voor zover ik hen kunnen nagaan was de situatie In Noord Amerika een geheel andere en kwam het verwijderen en het verwerken van dierlijk afval in de negentiende eeuw pas echt goed op gang met de komst van de vleesindustrie of “meatpackers”.

Helaas is mij niets bekend over wat men (vroeger) met kadavers en dergelijke deed in bijvoorbeeld de huidige Russische Federatie, in de Aziatische landen of in Zuid Amerika. Ik hoop, dat iemand van U mij hierover meer kan vertellen.

In de Middeleeuwen (500 – 1500 n. Chr.) gingen de mensen in het huidige West Europa steeds meer dieren als als last- en werkdier houden. Daarnaaast werden de woongemeenschappen ook groter. De dieren liepen gewoon in de steden en dorpen rond en  dode dieren en slachtafval liet men vaak gewoon liggen. Gaandeweg ontdekte men dat dit gevaarlijk konden zijn voor de gezondheid en daarom moest dit voortaan worden weggehaald. Men bracht de kadavers en slachtafval zo ver mogelijk weg om zomaar in het vrije veld verder te vergaan en te verrotten of ze kwamen op mesthopen of in het water terecht. Allerlei aaseters, zoals (wilde) honden, ratten, kraaien en vliegen hadden daarbij geheel vrij spel. Met het op deze manier wegwerken leek de boel opgeruimd maar het risico van ziekten bleef bestaan.

Dit bleek wel toen in de Vroege Middeleeuwen – zo rond 700 n. Chr. – er aan dit ongeregelde wegwerken meer “orde” werd aangebracht. De dode dieren moesten voortaan buiten de dorpen en steden naar speciale daarvoor aangewezen plaatsen worden gebracht. Wat later werd het verplicht om ze daar niet alleen heen te brengen maar ook om ze te begraven. Omdat iedereen dit eerst gewoon op eigen houtje kon doen, gebeurde dit niet altijd naar behoren. Bovendien was dit begraven toen vaak niet meer dan een afdekken met een dun laagje aarde. Op een gegeven ogenblik werden voor dit werk speciale mensen aangewezen, die daarbij ook meteen de afgedankte en zieke dieren moesten meenemen, afmaken en naar de stortplaats brengen. Naast dit werk moesten zij ook nog allerlei ander onaangenaam werk doen, zoals bijvoorbeeld het leeg halen van latrines. Niet zelden werden ze bovendien ook nog eens gedwongen om als “beul” misdadigers te onthoofden……

Als de huid nog goed was, vilden ze het kadaver en mochten ze de huid verkopen als aanvulling op hun vaak schamele inkomen. Dit gaf hun de naam van “vilder”. In het begin mocht dit villen overal gebeuren waar dit het beste uit kwam maar later mocht dit alleen nog maar bij de stortplaatsen. Zo ontstonden gaandeweg hier de vilderijen. De gevilde karkassen werden op de stortplaats alsnog gestort of begraven. Om van de rommel af te komen en om ruimte te krijgen werd in een aantal gevallen geprobeerd om deze resten te verbranden, wat vaak maar slechts voor een deel lukte. Hierdoor bleven dit soort stortplaatsen een potentiele bron van allerlei (vee)ziekten en parasieten.

Tenslotte waren de vilders verplicht paard en wagen te hebben – om ook ‘s zomers binnen korte tijd (in sommige plaatsen binnen vier uur) een kadaver weg te kunnen halen.

Diep triest was het dat deze vilders, die dit onaangename – maar ook toen al zeer noodzakelijke – opruimwerk deden, (in Europa) lange tijd compleet verguist en als “eerloos” geheel buiten de maatschappij gezet.

Wat de gevolgen waren van deze werkwijze, waarom de vilders als eerloos werden bestempeld en wat dit voor de vilders betekende vertel ik in een latere aflevering.

Animal carcasses in Europe during the Early Middle Ages

This part of the column describes only the situation in Western Europe. So far as I can ascertain was the situation In North America was completely different in removing and processing of animal waste. Only in the nineteenth century this was really well begun with the arrival of the meat industry or “meatpackers”.

Unfortunately I am not aware about what one did (formerly) with animal carcasses and such  in – for example – the current Russian Federation, in the Asian countries or in South America. I hope, that any of you can tell me more about this.   I

n the Middle Ages (500 – 1500 ad), the people in the current Western Europe went to keep more and more animals as beast to burden or to work. In addition, the communities became also larger. The animals ran just around in the streets of the towns and villages and dead animals and offal often remains simply lie. Gradually, it was discovered that this could be dangerous to health and therefore had to be taken away in future. One brought the animal carcases and offal as far away as possible to just put in the open field to rot or to putrefy and they came on compost heaps or in the water. All kinds of scavengers, such as (wild) dogs, rats, crows and flies had completely free game. In this way of getting rid of this this it seems  cleared up the mess but the risk of diseases continued to exist.

This turned out to be as such when in the early middle ages – as around 700 a.d. –  more order had to be applied on this irregular way of working. The dead animals have now to be brought outside the villages and towns to special designated places. Later on it was required not only  bringing them over there but also bury them. Because everyone could do this firstjust on its own, this happened not always properly. In addition, this bury was when often no more than a cover with a thin layer of ground. At any given time special people were designated for this work, and these people must also take away and kill the discarded or sick animals and bring them to the landfill. In addition to this work they had also to do all kinds of other uncomfortably work, such as clearing out of latrines. Not infrequently they were also forced to beheading criminals as “executioner”……

If the hide was in good shape, they skin the carcass  and the hide was sold to supplement their often meager income. This gave them the name of “skinner”. In the beginning this skinning happened anywhere where this is the best came out but later should this just run at the landfills. This gave rise of the “skinneries” or knacker-yards at the landfills. The skinned carcasses were still dumped or buried at the landfill. To get rid of the garbage and make room in a number of cases, it was tried to get this to burn what remains often but only partly succeeded. As a result, this type of landfill-sites remains a potential source of all kinds of (livestock) diseases and parasites.

Finally, the skinners were required to have a horse-drawn carriage  – in order to take away a carcass within short time in summer (in some places within four hours).

Deep sad was it that these skinners, who did this unpleasant – but even then very necessary – clearing up, were (in Europe) for a long time  considered as “infamous” and were placed totally outside the society…

What were the consequences of this approach, why the skinners were labeled as infamousand what this meant for the skinners I will tell you later.

Thomas_Rowlandson_-_A_Dead_Horse_on_a_Knacker's_Cart_-_Google_Art_Project

Bron afbeelding – source picture: http://commons.wikimedia.org/wiki/File:Thomas_Rowlandson_-_A_Dead_Horse_on_a_Knacker%27s_Cart_-_Google_Art_Project.jpg

 

Animal Rendering – Destructie Column part 5

Licht en schoonheid uit ……………………….vet
Light and beauty from………………………. grease

Please scroll down for the English version

Duizenden jaren voor Chr smolt men in een dierenblaas al vet uit stukken spek en botten door er steeds weer een hete steen in te doen. Het vet gebruikten ze om er bijvoorbeeld fakkels van te maken voor verlichting.

Ook zeep is al heel oud en het werd 3000 jaar voor Christus al gemaakt door de Sumeriers en de Mesopotamiers. Zij hadden namelijk ontdekt wol eerst gewassen moest worden met een mengsel van as in water voordat het kon worden geverfd. Met hetzelfde mengsel wasten de Sumerische priesters zich voor de tempelrites. De reinigende werking komt omdat de as met het vet in de wol of met het vet op de huid reageert, waarbij zeep ontstaat en het vuil oplost. De Sumeriers ontdekten verder dat de reinigende werking van het asmengsel kon worden versterkt door extra vet bij het mengsel te doen. Met dit idee begonnen ze zeep te maken door in een asoplossing vet en olie te koken. Bij opgravingen in Babylon zijn cilinders van klei van 2800 jaar voor Christus gevonden met daarin een zeepachtige substantie. Op de cilinders stond dat vet gekookt werd met as.

Rond 1500 v. Chr. hadden de oude Egyptenaren in hun de “Ebes Papyrus” een middeltje beschreven tegen huidaandoeningen. Dit middeltje werd verkregen door het koken van dierlijk en plantaardig vet met houtas.

De Romeinse geleerde Plinius de Oudere geeft in het begin van de eerste eeuw in zijn “Naturalis Historica” ook al  een beschrijving en recepten voor zeep. Volgens hem is zeep een uitvinding van de Galliërs en de Germanen, die door de Romeinen is overgenomen. De Galliers en de Germanen gebruikten de zeep als een soort gel om hun haar rood te verven voor de strijd en noemden dit “seiffa”.  Een andere visie is dat de Romeinen het maken van zeep hebben overgenomen van de Bedouinen of de Kelten. Zeker is dat niet maar van beide volkeren is wel bekend, dat zij in die tijd al op deze manier zeep maakten.

 

De oude Grieken en Romeinen hadden over het ontstaan van zeep hun eigen legenden, welke sterk overeenkomen en over de reinigende werking van zeep gaan. Bij beide volkeren werden door de vrouwen vlakbij de offerplaats kleren gewassen. Wanneer er dan dieren werden verbrand als offer werden de kleren gemakkelijker schoon. De legenden zeggen, dat dit kwam doordat  het gesmolten vet van het offerdier samen met de as van het vuur in de rivier kwam. De goden gaven dan de reinigende werking. De Griekse legende komt van de dichteres Sapho. De Romeinse speelde zich af op de (niet bestaande) berg Sapo.
Zowel bij de Romeinse als bij het Griekse verhaal is het zeer onwaarschijnlijk dat onder aan de berg of in de rivier een reinigende werking merkbaar zou zijn geweest. Alleen al omdat de hoeveelheid (rivier)water in beide gevallen zo groot zou zijn geweest, dat alles veel te veel was verdund. Ons woord zeep kan afgeleid zijn van het Germaanse Seiffa, het Griekse Sapho of het Romeinse Sapo.

Light and beauty from………………………. grease

 

One melted thousands of years before Christ in an animal bladder all fat from bacon pieces and from bones by putting a hot stone in the bladder. They used the fat for example for making flares for lighting.

Also soap is very old and it was 3000 years BC already made by the Sumerians and the Mesopotamians. They had discovered that wool had to be first washed with a mixture of ash in water before it could be painted. With the same mixture the Sumerian priests washed themselves before their temple rites.

The cleaning effect is because the reaction of the ash with the fat in the wool or with the fat on the skin, resulting in soap what dissolves the dirt. The Sumeriers discovered that the cleansing effect of the ashmixture could be strengthened by additional fat.

With this idea, they began to make soap by cooking a mixture of ash and fat in water. During excavations in Babylon clay cylinders of 2800 years before Christ are found containing a soap-like substance. On the cylinders was a recepe for soap by boiling fat with ash.

Around 1500 BC, the ancient Egyptians in their “Ebes Papyrus” described a remedy against skin disorders. This remedy was obtained by boiling animal or vegetable fat with wood ash.

The Roman scholar Pliny the Elderer indicates in the beginning of the first century in his “Naturalis Historica” even though a description and recipes for soap. According to him soap is  an invention of the Gauls and the Teutons, which is inherited by the Romans.

The Gauls and the Teutons used the soap as a type of gel to dye their hair red for the fight and called this gel “seiffa”. Another view is that the Romans have taken over the making of soap from the Bedouins or the Celts. Tis is not sure but of both peoples is known, that at that time they were making all this way soap.

The ancient Greeks and Romans had their own legends about the origins of soap, which are very similar and about the cleansing effect of soap. At both peoples the women washed clothes near the place of sacrifice.

When the animals were burned as a sacrifice than washing were easier. The legends say, that this was because the melted fat of the sacrificial animals along with the ashes of the fire came together with the water of the river. The Gods gave than the cleansing effect.
The Greek legend comes from the poetess Sapho. The Roman legend took place on the (nonexistent) mountain of Sapo.

Both the Roman and at the Greek story is highly unlikely that at the bottom of the mountain or in the River would have been noticeable a cleansing effect. If only because the amount of  water in both cases would have been so great, that all was too much was diluted. Our word Soap could have been derived from the Germanic Seiffa, the Greek sapho or the Roman Sapo.

                                 blog 2014 03 10 plaatje

history of Animal Rendering – Destructie part 3

 Use of animal byproducts in antiquity

Already in ancient times were created all kinds of objects of animal material, which was not eaten.  Partly this could happen for almost directly without any operation. Other materials required more processing

Bones

Roughly 9,000 years BC, the Chinese already made from bones simple flutes. The Vikings did that 6000 BC. Bones and antlers were also used to not only for making knife or dagger handles, combs, a kind of needles but man did make also jewels of out of it. The only necessary preprocessing of the bones and antlers was boning and cleaning it.

Horns and hooves

(Bovine) horns were already 2000 BC used for canisters, combs and as a nap to drink. Unlike bones, the use of horns required a necessary preprocessing.

A horn consists of two parts. The first is the horn core, which is is an outgrowth of the skull and is also of bone and has blood vessels through it. The horn core is surrounded by the keratenious horn sheath. Only this horn sheath is usable. Therefor the sheath at first should be separated from the core.  At first one left the entire horn a time soaking in water, by which the horn core releases the horn sheath and the sheath could be picked up.

To make a comb  the horn sheath should be straigtened into a flat sheet. Therefor at first the solid top of the horn was sawed off and then the remaining horn sheath be soaked in water, making him malleable. The sheath was slit lengthwise, straightened and finally pressed to a flat plate, of which for example a comb, spoons, or a cover for a box could be cut. From the solid top buttons were cut.

Horn consists of multiple layers. A thick plate horn could therefore been splitted up into thinner sheets. Similar operations were also done with the hooves.

Skins and leather.
Man did use hides and skins of animals all in the distant ancient times to protect themselves. In archaeological finds of almost all ancient civilizations are drawings or writings found, with leather objects like clothing or tents. So had the Assyrians 3000 years before Christ and the Sumeriers all leather shoes and leather cloths.

At the beginning man only dried the skins. After skinning the skin was stretched on a wooden frame and with scrapers the meat remains were removed of the skin.  Furthermore, the skin then just drying in the wind. By this the dry skins in cold weather became hard and stiff. In warm (and humid) weather they went rotten.

In order to keep the skins yet smoothly, after drying the ancient Assyrians rubbed the skin in with fat. Other peoples did this by chewing on the dried skins. Decay was in ancient times fought by smoking the skins over a fire. The skin was supple and went much slower putrefy.

Also man tanned already hides to leather. This happened with oak bark or with alum.
After removing the meat remains, the skins were put in a tub or in a pit. Multiple skins were the skins were piled up alternating with layers of oak bark. The tub or pit was further filled with an extract of oak leaf and oak bark in water called “run”. This tanning lasted several months. In this months both the bark as the run had to be regularly refreshed and the skins turned.

When one wanted to have leather witout hear, the skin became the first few days hanging in a closed space. The skin then began to rot where the hair is released. The hairs were scraped of the skin whereby it got completely smooth leather

.
To this day, is the principle of tanning stayed the same

Next time I will tell you what happened with other parts of the animal

Gebruik van dierlijk afval in de Oudheid

Reeds in de oudheid werden van het dierlijk materiaal, dat niet werd gegeten, allerlei voorwerpen gemaakt. Voor een deel kon dit nagenoeg rechtsstreeks zonder enige voorbewerking gebeuren. Andere materialen vereisten meer voorbewerking.

Beenderen

Zo’n 9000 jaar voor Christus maakten de  Chinezen uit botten al eenvoudige fluiten. De Vikingen deden dat 6000 voor Christus. Botten en geweien werden vroeg al ook gebruikt om er niet alleen mes- of dolkheften, kammen, een soort naalden van te maken maar ook sieraden. De enige  noodzakelijke voorbewerking van de botten en de geweien was het uitbenen en het schoonmaken ervan.

Horens en hoeven

(Runder)horens werden al 2000 voor Christus gebruikt voor kokertjes, als nap om uit te drinken en om er bijvoorbeeld kammen uit te maken. In tegenstelling tot botten, vereiste het gebruik van horens wel een noodzakelijke voorbewerking.

Een horen bestaat uit de “hoornpit” met daaromheen de “hoornschede” en alleen de hoornschede is bruikbaar en daarom de hoornschede eerst van de hoornpit worden afgehaald. De hoornpit is een uitgroei van de schedel en is van bot en er lopen ook bloedvaten doorheen. Men liet dan de gehele horen eerst een tijd in water weken, waarna de hoornschede van de hoornpit losliet en kon worden afgehaald. Om van een horen een kam te maken werd de hoornschede uitgebogen tot een vlakke plaat. De massieve top van de horen werd dan afgezaagd en vervolgens werd de hoornschede in water gekookt, waardoor hij vervormbaar werd. De schede werd in de lengterichting doorgesneden, uiteengebogen en tenslotte tot een vlakke plaat gedrukt, waaruit bijvoorbeeld een kam of lepeltjes, of een dekseltje voor een doosje konden worden gesneden. Uit de massieve top werden wel knopen gesneden. Hoorn bestaat uit meerdere lagen. Een dikke plaat hoorn kon daarom in dunnere platen worden. Vergelijkbare bewerkingen werden ook met de hoeven gedaan

Huiden en leer.

Huiden van dieren gebruikte de mens al in de verre oudheid om zich te beschermen. In archeologische vondsten van vrijwel alle oude beschavingen zijn wel tekeningen of geschriften gevonden, met leren voorwerpen, kleding of tenten. Zo hadden de Assyriërs 3000 jaar voor Christus al leren schoenen en de Sumeriers lederen kleding.

In het begin droogde de mens de huiden na het villen alleen maar.  De huid werd dan na het villen op een houten raam gespannen en met schrapers werden de vleesresten van de huid verwijderd. Verder liet men de huid dan gewoon in de wind drogen. Door dit drogen werden de huiden bij koud weer hard en stijf. Bij warm (en vochtig) weer gingen ze rotten. Om de huiden toch soepel te houden wreven de oude Assyriërs deze na het drogen in met vet. Andere volkeren deden dit door op de gedroogde huiden te kauwen. Bederf werd in de oudheid bestreden door de huiden te boven een vuur te “roken”. De huid werd dan èn weer soepel èn ging  veel minder snel rotten. Ook werden er toen al huiden tot leer gelooid. Dit gebeurde met eikenschors of met aluin. Na het verwijderen van de vleesresten kwamen de huiden in een kuip of een put. Meerdere huiden werden op elkaar gelegd met daar tussenin telkens een laag gemalen eikenbast. De kuip werd verder gevuld een aftrekstel van eikenblad en eikenbast in water de zogeheten “run”. Dit looien duurde dan enkele maanden. In deze maanden moesten zowel de bast als de run regelmatig worden ververst en de huiden gedraaid.

Wanneer men leer zonder haren wilde hebben, werd de huid eerst enkele dagen in een gesloten ruimte opgehangen. De huid begon dan te rotten waarbij de haren los lieten. De haren werden met een schraper en later met een haalmes van de huid afgehaald waardoor men geheel glad leer kreeg.

Tot op de dag van vandaag is het principe van het leerlooien gelijk gebleven.

De volgende keer meer over wat men met andere delen van het dier deed

Afbeelding