Mooi en ontroerend! Beautiful and touching!

Edward Juarez schilderde in 1980 zijn werk van het vullen van de destructie-autoclaaf met veren.

In 2006 sierde dit schilderij als de omslag van het boek “Essential Rendering” van David L. Meeker, waarbij de schrijver de volgende toelichting gaf:

Dit schilderij hangt in het kantoor van de National Renderers Association in Alexandria, Virginia. De schilder, Edward Juarez, werkte zijn hele werkzame leven bij Omar Rendering Company in San Diego. Hij begon op 12 jarige leeftijd met het oppakken van runderhuiden. Dhr Juarez schilderde dit tafereel in 1980 en het is één van de 10 schilderijen van de fabriek, waar hij werkte.

Over dit schilderij zegt de schilder dat aan het einde van de dag de werkers de destructieautoclaaf vulde met veren. De vorige lading, die hierin werd verwerkt was bloed uit het slachthuis, dat tot bloedmeel werd verwerkt. “We werkten zo hard als we konden – we werkten ons uit de naad – maar we trots op ons werk en dat gaf ons plezier!” ……..

Mooi en ontroerend!


In 1980 painted Edward Juarez his work at the loading of therendering cooker with feathers

In 2006 decorated this painting as the cover of the book “Essential Rendering” by David L. Meeker, in which the writer gave the following explanation:

“This painting is on display in the NRA office in Alexandria, Virginia. The artist, Edward Juarez, worked at the Omar Rendering Company in San Diego, CA his entire working career. He started working at age 12, picking up cattle hides. Mr. Juarez painted this scene in 1980, one of ten paintings he did in the plant where he worked.

The renderer/artist said this scene was of workers loading the batch cooker with feathers at the end of the day. The previous batch was blood from packing houses made into blood meal. Edward Juarez said, “We worked as hard as we could—we worked our butts off—but we took pride in our work and it was fun for us”. …….. “

Beautiful and touching!

juarez

Bron: Cover book “Essential Rendering” by David L. Meeker 2006
op http://assets.nationalrenderers.org/essential_rendering_book.pdf

Advertenties

De eerste destructieketels in de vorm van horizontale autoclaven The first rendering cookers in the form of horizontal autoclaves

Animal Rendering – Destructie Column part 22

Please scroll down for the English version

De eerste destructieketels in de vorm van horizontale autoclaven

Naast de rechtop staande autoclaven kwamen er in de negentiende eeuw ook liggende destructie-autoclaven, waarvan het apparaat van Blackhall-Slight in Edinburgh uit 1850 één van de eerste was.

Blackhall-Slights’ autoclaaf was enkelwandig, had een ovale dwarsdoorsnede en was op de voor- en bovenkant na samen met een vuurhaard geheel ommuurd. De bovenkant had een veiligheidsklep annex drukregelaar en een afsluiter voor het ontluchten en voor het toevoeren van water. De voorkant had helemaal onderaan een aftapkraan voor vet en water en het  mangat voor het vullen en het lossen van de verkookte massa. De afdichting van het mangatdeksel gebeurde met een klem, waarbij henneptouw en havermeel als “afdichtingspakking” werd gebruikt.

Vlak boven de aftapkraan had de autoclaaf over de volle lengte een zeefbodem, waarop de te verwerken botten etc kwamen te liggen. Na toevoegen van een hoeveelheid water werd het geheel opgewarmd. Zodra er uit de ontluchtingskraan op de autoclaaf alleen nog stoom kwam werd deze afgesloten en de autoclaaf op een druk van 2 bar gebracht. Na een vol etmaal onder een druk van 2 bar stomen waren de botten, afgekeurd vlees en kleine kadavers uiteengevallen en kon de druk uit de autoclaaf worden afgelaten. Vervolgens werd onder aan de autoclaaf eerst het lijmwater afgetapt en daarna het vet.

Voor een gelijkmatiger drukbelasting waren de latere destructieautocklaven niet meer ovaal maar hadden zij een ronde dwarsdoorsnede. Bovendien kwamen er tussen de voor en achterkant over de volle lengte horizontale trekstangen of hoekijzers voor versteviging van het geheel.


The first rendering cookers in the form of horizontal autoclaves
In addition to the upright standing autoclaves, nineteenth century there came also horizontal rendering cookers, of which the device of Black hall-Slight in Edinburgh from 1850 one of the first was.

Black hall-Slights ‘ autoclave was single hulled, had an oval cross section and was except the front and top fully together with the firebox walled. On top of the autoclave there was a safety valve/pressure regulator and a valve for venting the air, for feeding water and bleeding of pressure. The front had a draining valve for fat and gluewater and a manhole for filling and discharging the boiled mass. The sealing of the manhole cover was done with a clamp, with hemp twine and oatmeal was used as “sealing stuffing”.

Right above the drain valve at its full length the autoclave had a sieve bottom, on which the raw bones etc were put. After adding a quantity of water the whole was warmed up. As soon there came only steam from the vent valve on the autoclave the valve was closed and the autoclave brought on a pressure of 2 bar.
After 24 hours steaming and boiling at a pressure of 2 bar the bones, meat and small carcasses were disintegrated and could be bleeding off the autoclave pressure. After that at the bottom of the autoclave first the glue water was drained followed by the fat.

For a more equal pressure loads the cross section of the later rendering autoclaves was no longer oval but round. In addition to that, there were between the front and back along the full length horizontal tie rods or angle irons for reinforcement of the autoclave.

hor autocl 1

Het apparaat van Blackhall-Slight met dwars- en overlangse doorsnede. Op de doorsneden is de geperforeerde boden, waar de botten op liggen aangegeven met m-m
Goed is te zien dat het wel een veiligheidsklep maar geen manometer en ook geen peilglas had. Het apparaat was 2 m lang en had 90 cm breed.

The device of Black hall-Slight with transverse and longitudinal cross-section. On the cross sections is the perforated bottom, where the bones are put on is indicated by m-m . Good to see is that the autoclave does have a safety valve but no pressure gauge and also no sight glass. The device was 2 m long and had 90 cm wide.

hor autocl 2

 Bron: Rühlmann Über Blackhall’s Apparat zum Dampfen der Knochen als Düngermittel

Boek “Categorie één; Geschiedenis van de dierlijk afvalverwerking” ter inzage in het Boerenbondmuseum Gemert Book “Category one; Geschiedenis van de dierlijk afvalverwerking” available for inspection in the Boerenbond museum Gemert

Als onderzoekster en schrijfster van het boek “Categorie één” ben ik zo trots als een pauw, dat mijn boek ter inzage ligt in het Boerenbondmuseum te Gemert. En dan niet zomaar tussen alle andere boeken, die het museum heeft maar in hun gebouw van de “Destructor NCB “

As researcher and author of the book “Category one” I am so proud as a Peacock, that my book is available for inspection in the Boerenbond museum in Gemert. And then not just among all the other books, which the museum has but in their building of the “Destructor NCB”

2015 080 28 (22) - 28 aug; Boerenbondmuseum Gemert

2015 080 28 (23) - 28 aug; Boerenbondmuseum Gemert

Het uit de destructieautoclaaf lossen van het verkookte kadavermateriaal The unloading of the rendering autoclave from the cooked animal carcasses

Animal Rendering – Destructie Column part 21

Please scroll down for the English version

Het uit de destructieautoclaaf lossen van het verkookte kadavermateriaal ron 1880

Het verkookte kadavermateriaal moest handmatig weer uit de destructieautoclaaf gespit worden, waarvoor meestal iemand de autoclaaf in moest. We kunnen ons voorstellen, dat dit een zwaar en uiterst onaangenaam werk was. Bovendien koste dit veel tijd, omdat de autoclaaf eerst moest afkoelen.

Hieronder staan een paar van de methoden, die bedacht zijn om dit werk niet alleen enigszins te verlichten maar ook om dit in een veel kortere tijd te kunnen doen.

Rond 1844 deed, Ebenezer Wilson in Cincinnatti, dit via een klep in zowel de bodem van de autoclaaf als in de zeefplaat . Beide kleppen werden gelijktijdig met een ketting of een spindel via het deksel van de autoclaaf geopend, waarbij het vaste materiaal dan in één keer vanaf de zeefplaat in een opvangbak onder de autoclaaf viel. In 1874 had Wilson vier van deze autoclaven in werking, elk met een inhoud van 5,5-7 m3.

De New Yorker Husband deed dit rond 1879 door de zeefplaat voor het kadavermateriaal in de autoclaaf schuin naar het mangat toe te leggen.

De autoclaaf uit 1867 van William Perry uit Massachusetts kon in het midden met een ketting om zijn dwars as gedraaid worden. Aan het ene uiteinde van de autoclaaf was de opening voor het vullen en het ledigen. De andere kant had een zeef met daaronder een aftapkraan.

De stoom werd via een leiding door het lager van de dwarsas in de autoclaaf geleid. De autoclaaf werd rechtop gezet en via de aftapkraan aan de onderkant werd continu het ontstane vet en lijmwater naar een ander vat afgetapt. De vaste materiaal op de zeef bleef zo “droog” en constant volledig aan de werking van de stoom blootgesteld.  Na afloop van het proces werd de druk afgelaten, de aftapkraan losgekoppeld en de vulopening geopend. Het geheel werd met de ketting een halve slag gedraaid waarna de vaste resten uit de autoclaaf uit vielen om elders tot meststof te worden vermalen.

The unloading of the rendering autoclave from the cooked animal carcasses aroud 1880

The cooked material had to removed from the rendering autoclave or “digester” by carving out manually, for which usually someone had to go into the digester. We can imagine, that this is a heavy and extremely unpleasant work. In addition to that, this costs much time because of the fact that the autoclave first had to cool down.

Below a few of the methods are descripted, not only designed to relieve this work a little bit  but also to be able to do this in a much shorter time.

Around 1844, Ebenezer Wilson in Cincinnatti, did this by means of a valve in both the bottom of the digester as in the false seave bottom. Both valves were simultaneously opened with a chain or a spindle through the lid of the digester, after which at one time the solid material fell directly from the sieve plate into a container under the digester. In 1874 Wilson had four of these autoclaves working, each with a capacity of 5.5-7 m3.

The New Yorker Husband did this around 1879 by putting in the digester the sieve plate for the cadaver material diagonally towards the manhole.

In 1867 William Perry’s digester from Massachusetts could be rotated with the aid of a chain around its cross axis in the middle. At one end of the digester was the opening for filling and emptying. The other side had a screen with a drain valve.

The steam was led into the digester through a conduct-pipe through the bearing of  the transverse axis. The digester was put upright and via the drain valve at the bottom the resulting grease and glue water were continuously drained to another barrel. In that way the solid material on the screen remained “dry” and also constantly exposed to the full influence  of the steam.  At the end of the process, the pressure was released, the drain valve disconnected and the filling opening opened. With the chain the whole thing was turned a half turn after which the remains fell from the autoclave for being ground elsewhere to fertilizer.

blog 2015 08 11  Het uit de destructieautoclaaf lossen van het verkookte kadavermateriaal 1898 Andes Animal Fats and Oils 1898  p. 33 Wilson's autoclaaf

De van buiten af bedienbare opening aan de onderkant van de autoclaaf van Wilson

From the outside controlled unloading valves in the seave and at the bottom of the autoclave from 1844 by Wilson.

Bron: L.A. Andès: “Animal Fats and Oils” 1898  p. 33

Staande destructieautoclaven met uitneembare zeefkorf. Vertical rendering autoclaves with removable strainerbasket

Animal rendering – Destructie Column part 20

Please scroll down for the English version


Destructieautoclaven met een uitneembare zeefkorf voor het te verwerken materiaal

Bij de eerder beschreven eenvoudige autoclaven moesten na het aftappen van het vet en het lijmwater – de verkookte vaste resten nog helemaal handmatig hieruit worden verwijderd. Dit zware en onaangenaam stinkende karwei werd in het begin van de twintigste eeuw enigszins verlicht door het gebruiken van een zeefkorf voor de kadaverdelen en het afgekeurde vlees.
Bovendien had het zo vullen van een autoclaaf het nadeel, dat de massa hierin nog al eens de neiging had om tot één dikke ondoordringbare massa samen te ballen; het zogeheten “verlijmen”. Dit gebeurde vooral wanneer er veel gelatinerijk materiaal, zoals bepaalde ingewanden, bij elkaar werd verwerkt. Zo’n “verlijmde autoclaaf” was  niet alleen moeilijk weer leeg te halen ook werd dan lang niet alle vet uitgesmolten en was de samengebalde massa nergens meer goed voor.

Om deze reden gebruikten de slachthuizen hiervoor nog al eens een oude vleessterilisator  (zie de column van 8 mrt 2015)  Echter, omdat zo’n vleessterilisator hiervoor eigenlijk niet geschikt was, kwamen er langzamerhand autoclaven op de markt, speciaal voor het verwerken van afgekeurd vlees, kadavers, en delen daarvan.

In de autoclaaf van de Engelsman Draycott uit 1915 stond de zeefkorf op pootjes en daaronder kwam een flinke bodem water. De autoclaaf zelf stond op een driepoot boven open vuur. Met een regelbare veiligheidsklep op het deksel werd de vereiste druk en daarmee ook de temperatuur ingesteld. Wanneer het materiaal volledig uiteen was gevallen werd de zeefkorf met het overgebleven vaste materiaal uit de autoclaaf gehaald, het vet afgeschept en het water weggegooid. Deze werkwijze met zo’n inzetkorf bleek echter handzaam te zijn bij slechts  kleine hoeveelheden.

De Rus Ohlert hing een zeefmand aan twee hengsels in zijn (dubbelwandige) autoclaaf. Na de beeindiging van het proces werd de zeefmand met het de verkookte vaste resten getrokken en op twee balken boven op de rand van de autoclaaf gezet, om het nog aanhangende water en vet alsnog uit te laten druipen.

Later bij de grotere autoclaven hanteerde men de zeefkorf met een verdraaibare takel of met een loopkat. Het openen en sluiten van het grote en zware deksel van zo’n autoclaaf ging veel  minder zwaar door het hierbij gebruiken van een met een ketting aan het deksel bevestigd contragewicht.

Door in zo’n grote zeefkorf ingewanden, hompen vlees, kleine kadavers en kadaverdelen afwisselend in lagen op te stapelen kon men dit verlijmen sterk verhinderen. Wanneer er bijvoorbeeld voornamelijk alleen ingewanden moesten worden verwerkt, deed men dit ook wel door de ingewanden af te wisselen met één of meer lagen met blokken hout. Wat later werd hiervoor niet één grote korf gebruikt maar meerdere smallere korven, die met enige ruimte daartussen naast elkaar in de autoclaaf werden gezet.

Autoclaves with a removable strainerbasket for processing carcasses and condemned meat

At the previously described simple autoclaves  – besides the fat and the glue water – the cooked solids had to be removed out of the autoclave yet at all manually. At the beginning of the 20th century this heavy and unpleasant smelly job was somewhat relieved by the use of a strainer basket for the carcasses, parts of that and the rejected meat.
Moreover, had it so filling an autoclave the disadvantage, that the mass had a tendency to clog to one thick impenetrable mass it so-called “gumming” (or clogging). This happened especially when processing in one time a lot of gelatinous material, such as certain viscera.
Cleaning out such a “gummed or clogged” autoclave” was not only difficult but also not all the fat was been rendered and the clogged mass  furthermore was more or less useless.

Because of this reason slaughterhouses regulary used an old meat sterilizer for this job (see the column by 8 March 2015) . However, because such a meat sterilizer for this is actually unsuitable, there appeared gradually autoclaves on the market, especially for the processing of rejected meat, carcasses and parts thereof.

In the autoclave of the Englishman Draycott from 1915 a strainer basket on feet was in the autoclave and below the basket came a layer of water. The autoclave itself stood on a tripod over open fire. With an adjustable safety valve on the lid the required pressure was set and with the pressure  the temperature. When the material had decomposed completely, the strainerbasket with the remaining solids will be removed from the autoclave, the fat skimmed off and the glue-water drained off. This approach, however, turned out to be handy only in case of processing small amounts of material.

The Russian Ohlert hung a strainer basket to two handles in his (double-walled) autoclave. After termination of the process the strainer basket with the cooked solid remains was pulled out of the autoclave and put on  two bars on the brim of the autoclave, for dripping out the still adhering fat and water.
Later at the larger autoclaves the strainer basket was handled with a revolving pulley or with a travelling crab. Opening and closing the autoclave with  such a large and heavy lid  went much less heavily by the use of a counterweight, attached to the lid with a chain.

By use of such a big sieve basket gumming could be prevented bij loading viscera, hunks of meat, small animal carcasses and parts in alternating layers. By processing only intestines  one did also loading by the intestines in turn with one or more layers of blocks of wood. Later on not one large basket was used but several narrower baskets were put – which with some space in between – next to each other in the autoclave.

x 1929 02 01 Advertentie Heike  Ztschr. Abdeckereiwesen 1

Advertentie uit 1929
Advertisement from 1929

Maden: Krachtvoer voor de negentiende eeuwse “plofkippen” Maggots: Power fodder for the bloated broilers of the nineteenth century

Animal Rendering – Destructie Column part 19
Please scroll down for the English version

Maden: Krachtvoer voor de negentiende eeuwse “plofkippen

Na de vinding van Appert in 1823 zouden gedurende geruime tijd autoclaven voor de meeste kleinere vilderijen nog onbetaalbare dingen blijven en zullen de vilders voorlopig in “gewone potten en ketels” kadavers, botten en ander vleesafval om hun vet uitkoken. Naast dit werk en het onthuiden hadden zij in de negentiende eeuw nog enkele “nevenactiviteiten”.

Eén daarvan was het kweken van maden, die voor de vissers en de kippenboeren erg gewild waren als visvoer respectievelijk krachtvoer. Zo was er in Frankrijk een kippenboer, die in de wijde omgeving de magerste scharminkels voor een appel en een ei opkocht en ze met maden voerde. Wat hem met ander kippenvoer, zoals graan niet lukte, lukte dat wel met een dieet van maden. In twee weken waren deze kippen drie maal zo zwaar geworden en konden even later als het exquise “Poulardes du Mans” aan de man worden gebracht……. .

In het begin werden plukten de vilderskinderen hiervoor de maden gewoon van de her en der op de vilderijen verspreide stinkende afvalhopen. Later werd hiervoor een veel effectievere ‘productiemethode” gevolgd.

Op een verloren stuk grond van de vilderij werden de ingewanden en overig rottend vlees uitgespreid tot een laag van ca 15 cm dik. Om uitdroging door direct zonlicht te voorkomen, strooide de vilder er een laag stro overheen. Vanwege de sterke rottingsgeur kwamen de vliegen er onmiddellijk op af om er hun eitjes te leggen. Door de gehele laag konden de maden zich massa goed ontwikkelen. Was de laag dikker, dan zou de temperatuur in die laag te hoog oplopen, de concentratie aan rottingsgassen te hoog worden en de maden daardoor dood gaan. Na een paar dagen tot een week was de laag één bewegende wriemelende en krioelende massa maden geworden. De vilderskinderen zochten dan handmatig de zwarte humusdeeltjes hieruit, waarna de maden werden opgeschept en per kilo als geheel schoon kippen- en vissenvoer werden verkocht.

In de tweede helft van de negentiende eeuw was er bij Parijs één vilder, die zo in het visseizoen per week bijna 2 kubieke meter!  maden produceerde en aan de man bracht……

Maggots: Power fodder for the bloated broilers of the nineteenth century

After the invention of Appert in 1823 still for quite a long time autoclaves will be too expensive for most smaller knackeries and for the time being, the skinners will still use “ordinary pots and kettles” for boiling down animal carcasses, bones and other meat waste for producing the fat. In the nineteenth century the skinners or knackermen had – in addition to this work and skinning – had some “side-activities”.

One of these side-activities was growing maggots, which were for the fishermen and the chicken farmers much sought after as fish feed respectively feed concentrates or “power fodder”. In France there was a chicken farmer, who in the wide surroundings bought up at a very low price the leanest scraggy chickens and feed them for a couple of weeks with maggots. When other chicken feed, such as corn did not succeed, with a diet of maggots it succeeded well. Within two weeks the weights of the chickens were three times the original weight and the chicken farmer sold  them as the exquisite “Poulardes du Mans” ……..

In the beginning the children of the skinners picked the maggots from the foul-smelling waste heaps which were scattered all over the knackeries. Later on a much more effective  “production method ” was followed.

On a lost part on the knackery intestines and other rotting meat was spread to a layer with a thickness of about 15 cm.  To prevent dehydration by direct sunlight, the skinner interspersed  a layer of straw over it. Because of the strong rotting smell the fly’s came off immediately to lay their eggs. All trough the whole layer the maggots could grow very well. When the layer was thicker, than would the temperature on within the layer too high, the concentration of rotting gases become too high and the maggots thereby died. After a few days to a week the layer was one moving squirming and wriggling mass of maggots. The skinners children manually sorted out the tiny black humus particles, after which the maggots were scooped up and were sold per kilo as clean chicken and fish feed.

In the second half of the nineteenth century at Paris there was one skinner, who – during the fishing season – produced and sold per week almost 2 cubic meters! of maggots ……..

Blog 2015 06 11 Waren er in de negentiende eeuw al voorlopers van de plofkip afb

Bron: Eigen foto

Van try-pots en traan,      Animal rendering in whaling 

Animal Rendering – Destructie Column part 19
Please scroll down for the English version

Van try-pots en traan,

In mijn ontdekkingsreis in de geschiedenis van de destructie zie ik niet alleen oude processen en installaties maar kom ik regelmatig allerlei opmerkelijke zaken tegen. Vandaag wil ik over  deze uit Australie en Nieuw Zeeland iets vertellen.

Naast het verwerken van de gebruikelijke dierlijke bijproducten van vee, was daar medio negentiende eeuw ook het in dit kader veel minder bekende verwerken van walvissen. Walvisolie of “traan” werd niet alleen gebruikt in margarine maar was onder andere ook zeer geliefd als lampolie en smeerolie.

In bepaalde jaargetijden kwamen aan de zuidkust van Australie en van Nieuw Zeeland de walvissen heel dicht bij de kust. Zo dichtbij, dat de jagers er met roeibootjes naar toe konden varen en de dieren konden doden. Met diezelfde roeibootjes sleepten de jagers ze vervolgens naar de “try-works” aan de kust om ze te verwerken. In het kort ging dat als volgt:

Op een hoog gelegen punt aan de kust stond een wachter, die wanneer hij een walvis in het vizier kreeg, de jagers waarschuwde om er met hun bootjes op af te gaan. Met harpoenen en speren werd de walvis aangevallen, afgemat en uiteindelijk gedood, waarna het kadaver  naar de kust werd gesleept en zo ver mogelijk op het land werd getrokken. De dikke laag spek werd in lange stroken van het kadaver afgesneden waar ze hoger op de kust in handzamere stukken werden gesneden of gehakt. In grote kookpotten, de zogeheten “try-pots” op open vuur werd dan het vet eruit gesmolten. Zo’n try-pot had aan één kant een overloopgoot, waardoor het gesmolten vet naar een tweede pot vloeide. In deze tweede pot bleef het vet net zo lang totdat de verontreinigingen en eventueel meegekomen water naar de bodem waren uit gezakt. Het vet werd uit deze pot in de opslagtanks  geschept, waarin het verder afkoelde om daarna in vaten te worden gedaan.
Zo werd er vanaf ca 1828 tot 1930 aan de zuidelijke kusten van Australie en Nieuw Zeeland walvisolie geproduceerd..

Overigens waren er al in het midden van de achttiende eeuw al een vorm van “fabrieksschepen”, waarop de walvissen op zee al konden worden verwerkt. Voor het speksnijden werd het dier langszij getrokken en vastgebonden. Deels op het dier zelf, deels vanaf een soort bordes werd al balancerend het spek van het dier gesneden en aan dek gebracht. Pas later kwam de mogelijkheid om het beest aan boord te hijsen en hem daar te “flenzen”.

Op het breedste deel van het schip, tussen de beide masten, stond in een zeer solide bemetseling met daarin de vuurhaarden en twee of soms drie try-pots. Om ruimte te besparen hadden de try-pots aan aan weerszijde een platte kant, waarmee ze tegen elkaar aan stonden. Om verbranden van de olie te voorkomen, werden de try-pots in de bemetseling niet direct verhit maar waren zij omgeven door een waterbad. De vuurhaarden, die werden gestookt met walvisbotten en -kanen hadden geen schoorsteen. De rookgassen ontweken door gaten pal naast de try-pots om over zee weg te waaien. ………….

Begin van de negentiende eeuw kwamen de modernere industrieschepen, waarover ik in een van mijn latere blogs meer zal vertellen.

Animal rendering in whaling

In my journey in the discovery of the history of animal rendering I not only see old processes and plants but regularly I also come across all kinds of outstanding cases. Today I want to tell something about this one from Australia and New Zealand.

In addition to the usual processing of animal by-products from cattle, in the mid-nineteenth century there was at that place also a – within the framework of animal rendering – much less well-known processing of whales. As in Europe, whale oil or “train-oil” was not only used in margarine but it was also very popular among other things such as lamp oil and lubricating oil.

In certain seasons whales came very close to the South coasts of Australia and New Zealand. So close, that the hunters there with their rowing boats could go boating to the animals and killing them. With that same rowing boats the hunters dragged them to the “try-works” on the shore to process them.

In short that went as follows:
Located on a high point on the coast stood a guard, who as soon as he saw a whale, he warned the hunters to go off with their boats. With harpoons and spears the whale was attacked, exhausted ultimately killed, after which the carcass was dragged to the coast and pulled at the try-works on the shore as far as possible. After the thick layer of blubber in long strips was cut off from the carcass it were brought to the try-work and cut or chopped in more practical pieces. In large cooking pots, the so-called “try-pots” on open fire the fat or train-oil was rendered. On one side such a try-pot had an overflow gutter, throug which the rendered fat flows to a second pot for separating the train-oil from impurities. The fat from this pot was ladled out into the storage tanks, in which it further cooled and been done into wooden barrels.
From about 1828 to 1930 on the southern coasts of Australia and New Zealand whale oil was produced..

Moreover, already in the middle of the eighteenth century there were a form of “factory ships”, on which the whales could be processed at sea .  To be “flensed” the carcass was pulled alongside and tied up. Partly on the carcass itself, partly from a kind of platforms the “flensers” were balancing to cut of the blubber from the carcass and bringing it on deck. Later on there came the ability hoisting the carcass  on board for flensing.

Amidship, at the widest part, between the two masts, a very solid masonry contained the fires  and two or sometimes three try-pots. To save space the try-pots had a flat side on either side, with which they were put against each other. Preventing scorcing of the train-oil the try-pots were not heated by direct fire  but the were surrounded by a water bath. As fuel they use the whale bones and –greaves and there was no chimney at all. The flue gases escaped through holes right next to the try-pots and where the wind blew them away over the sea. ………….
Beginning of the 19th century more modern industry ships came in, about which I will tell more later in one of my blogs.

2015 05 10 tryworks aan de kust

Smeltpotten of “try-pots” voor walvisspek op land Links de opslagtanks voor de “traan” en rechts een lepel voor het afromen.
Try-pots for whale-oil on shore. At the left the storage tanks en at the right a “ladle”
Bron: http://travelling-australia.info/InfsheetsW/whale3.html

2015 05 10 trying-out-boiling-whale-bubber-for-oil-on-a-whaling-ship-

“Try-pots” aan boord van een achttiende eeuws fabrieksschip in de walvisvaart
Try-pots on board of a whaling-ship in the 18th century
Bron: div. site oa https://sites.google.com/site/caitlinfalk/distinguishingfeatures